De brief van Paulus aan de gemeente te Rome, h. 1-12, proeve van vertaling
Briefadressering
1 Paulus, dienstknecht van Christus Jezus, door God geroepen apostel, aangesteld om het evangelie van God bekend te maken. Dit goede nieuws heeft God van tevoren beloofd in de heilige Geschriften van het Oude Testament. Zijn profeten hebben het opgeschreven. Het gaat over Gods Zoon die als mens geboren is uit het nageslacht van David. 4 In de opstanding der doden liet de Heilige Geest zien dat Hij Gods Zoon in kracht is: Jezus Christus, onze Heer. 5 Door Hem ontvingen wij de genade en het apostelschap om gehoorzaamheid aan Hem te bewerken vanuit het geloof in zijn Naam. Tot die volken behoren ook jullie, die geroepen zijn om Jezus Christus toe te behoren. Aan allen die in Rome zijn, geliefden van God, geroepenen, heiligen, genade en vrede voor u van God, onze Vader en van de Heer Jezus Christus.
Briefaanhef
Allereerst dank ik mijn God door Jezus Christus voor u allen, want uw geloof is in de hele wereld verkondigd. 9 Want God, die ik van harte dien, gericht op het goede nieuws van zijn Zoon, is mijn getuige, hoe ik onophoudelijk in mijn gebeden aan u denk. 10 Daarbij bid ik of ik misschien eindelijk naar de wil van God gelegenheid zal krijgen tot jullie te komen. 11 Want ik verlang jullie te zien, opdat ik enige geestelijke gave met jullie dele, 12 dat wil zeggen: mede bemoedigd te worden onder u, door elkaars (15:5 geloof, èn van u èn van mij. 13 Ik wil u er dan ook niet onkundig van laten, broeders, dat ik dikwijls het voornemen had tot u te komen – maar ik werd tot nu toe belet – opdat ik ook onder u enige vrucht zou hebben, zoals onder de andere volken. Bij Grieken en barbaren, wijzen en onwetenden sta ik in de schuld. 15 Vandaar mijn verlangen ook u die in Rome bent, het evangelie te brengen.
16 Want ik schaam mij niet voor het evangelie, want het is een kracht van God tot redding voor ieder die gelooft, eerst de Jood, maar ook de Griek. 17 Want gerechtigheid van God die uit geloof is, verschijnt daarin, om geloof op te wekken, zoals geschreven staat: ‘de rechtvaardige zal uit geloof leven’.
Waarom het zo belangrijk is voor God rechtvaardig te zijn
18 Want toorn van God verschijnt vanuit de hemel over allerlei goddeloosheid en ongerechtigheid van mensen die de waarheid door ongerechtigheid ten onder houden, 21, want God kennend, eerden of dankten zij Hem niet als God, maar zij werden verdwaasd in hun overleggingen en hun onverstandig hart werd verduisterd. 22 Pochend wijs te zijn, werden zij dwaas 23 en zij veranderden de majesteit van de onvergankelijke God in het evenbeeld van een vergankelijk mens en van vogels, en van viervoetigen en van reptielen.
24 Daarom heeft God hen overgegeven aan de begeerten van hun hart tot de verontreiniging van het onteren van hun lichamen onder elkaar. 25 Al dezen veranderden de waarheid van God in de leugen en vereerden en aanbaden het schepsel in plaats van de Schepper, die is te prijzen tot in eeuwigheid. Amen.
26 Daarom heeft God hen overgegeven aan oneerbare hartstochten, en hun vrouwen veranderden de natuurlijke omgang naar de tegennatuurlijke. 27 Op gelijke wijze ontbrandden ook de mannen, de natuurlijke omgang met de vrouw verlatend, in hun begeerte naar elkaar, mannen onder mannen schandelijkheid bedrijvend, en hun verdiende loon als gevolg van hun dwaling in zichzelf ontvangend.
28 En aangezien zij er niet naar streefden God te kennen heeft God hen overgegeven aan een verwerpelijk denken om niet betamelijke dingen te doen, vervuld van allerlei ongerechtigheid, slechtheid, hebzucht, kwaad, vol van jaloezie, moord, twist, list, kwaadaardigheid, roddel 30 kwaadsprekers, haters van God, hoogmoedigen, overmoedigen, grootsprekers, uitvinders van kwalijke zaken, aan hun ouders ongehoorzaam, onverstandigen, onbetrouwbaren, ongevoeligen, onbarmhartigen, 32 al dezen die de rechtseis van God kenden, dat degenen die zodanige dingen doen, de dood verdienen, doen deze dingen niet alleen, maar schenken ook bijval aan wie ze doen.
2 Daarom bent u, o mens, ieder die oordeelt, niet te verdedigen. Want waarin u de ander oordeelt, veroordeelt u uzelf, want u die oordeelt doet dezelfde dingen. 3 Rekent u hierop, o mens, die oordeelt wie zodanige dingen doen en deze dingen doet, dat u het oordeel van God zult ontvluchten? 4 Of: veracht u de rijkdom van zijn goedheid, verdraagzaamheid en geduld, niet wetend dat de goedheid van God u tot bekering leidt? 5 In overeenstemming met uw hardheid en onbekeerlijk hart verzamelt u voor uzelf toorn op de dag van toorn en van openbaring van het rechtvaardig oordeel van God 6 die ieder naar zijn werken zal teruggeven. 7 aan hen die in goed werk volhardend glorie en eer en onvergankelijkheid zoeken, eeuwig leven, 8 maar aan hen die uit toorn en ongehoorzaam aan de waarheid, de ongerechtigheid achtervolgen, woede en toorn.
9 Verdrukking en benauwdheid op iedere menselijke ziel die het kwade uitwerkt, eerst de Jood, ook de Griek.
10 Glorie en eer en vrede voor ieder die het goede werkt. Eerst de Jood, ook de Griek. 11 Want er is geen aanziens des persoons bij God.
12 Degenen die zonder wet zondigden, zullen ook zonder wet verloren gaan, en degenen die onder de wet zondigden, zullen door de wet geoordeeld worden. 13 Want niet de hoorders van de wet zijn rechtvaardig bij God, maar de daders van de wet zullen gerechtvaardigd worden. 14 Want wanneer volken die de wet niet hebben, van nature de dingen van de wet doen, zijn dezen, hoewel ze de wet niet hebben, voor zichzelf een wet. 15 al dezen tonen het werk van de wet, geschreven in hun harten, terwijl hun geweten mede getuigt, terwijl hun overleggingen elkaar aanklagen of ook verontschuldigen, 16 op de dag dat God de verborgen dingen van de mensen oordeelt naar mijn evangelie door Christus Jezus.
Dat geldt ook voor u als u Joods bent
17 Maar als u zich Jood laat noemen, steunt op de wet en roemt in God 18 en kent de wil en onderwezen in de wet, onderscheidt waarop het aankomt 19 en bij uzelf overtuigd een wegwijzer van de blinden te zijn, een licht voor hen die in de duisternis zijn, 20 een opvoeder van onverstandigen, een leraar van onmondigen, hebbend de belichaming van de kennis en de waarheid in de wet (…). 21 Die dus een ander leert, onderwijst u uzelf niet; die boodschapt niet te stelen, steelt u? 22 Die zegt: niet echtbreken, pleegt u echtbreuk? Die de afgoden verfoeit, pleegt u afgoderij? 23 Die roemt in de wet, onteert u God door overtreding van de wet? 24 Want de naam van God wordt om u gelasterd onder de volken, zoals geschreven staat.
25 Want de besnijdenis is weliswaar nuttig als u de wet doet. Maar als u een overtreder van de wet bent, is uw besnijdenis onbesnedenheid geworden. 26 Als dan de onbesnedenen de rechtsordeningen van de wet in acht nemen, wordt hun onbesnedenheid dan niet tot besnijdenis gerekend? 27 Dan zal de van nature onbesnedene die de wet volbrengt, u oordelen, die hoewel in het bezit van letter en besnijdenis, een overtreder van de wet bent. 28 Want niet hij is een Jood die het in het uiterlijk is, en niet dat is de besnijdenis die in het uiterlijk in het vlees is, 29 maar die in het verborgene Jood is en de besnijdenis van het hart in de geest, niet de letter, aan hem komt de lof niet van mensen, maar van God.
3 Wat is dan het voorrecht van de Jood of wat het nut van de besnijdenis? 2 Veel, in elk opzicht. Allereerst dat hen de woorden van God werden toevertrouwd. 3 Want wat is het geval? Als sommigen ongelovig werden, doet hun ontrouw de trouw van God toch niet teniet? 4 Zeker niet! Maar het moet worden: God waarachtig, ieder mens leugenachtig, zoals geschreven is: opdat U gerechtvaardigd zult worden in uw woorden en zult overwinnen in uw geoordeeld worden. 5 Maar als onze onrechtvaardigheid de rechtvaardigheid van God bevestigt, wat zullen wij zeggen? God die zijn toorn brengt, is toch niet onrechtvaardig? Ik spreek naar de mens. 6 Zeker niet. Hoe zal God anders de wereld oordelen? 7 Maar als de waarheid van God door mijn leugen overvloediger wordt tot zijn eer, waarom word ook ik dan nog als zondaar geoordeeld? 8 toch niet zoals wij gelasterd worden en zoals sommigen ons zeggen: laten wij het kwade doen, opdat het goede kome? Het vonnis over hen is rechtvaardig.
9 Wat dan? Zijn wij in het voordeel? In het geheel niet. Want wij hebben en Joden en Grieken van tevoren ervan beschuldigd onder de zonde te zijn, 10 zoals geschreven is:
Niet is er een rechtvaardige, ook niet één,
11 niet is er de verstandige,
niet is er de Godzoekende.
12 Allen bogen af, samen werden zij nutteloos
Niet is er die nuttige dingen doet
Niet is er, zelfs niet één.
13 een graf hun geopende keel,
met hun tong bedrogen zij,
gif van adders onder hun lippen;
14 hun mond vol van vloek en bitterheid,
15 hun voeten snel om bloed te vergieten,
16 vernietiging en verwoesting op al hun wegen,
17 en een weg tot vrede kenden zij niet.
18 Geen vrees voor God staat hun voor ogen.
19 Maar wij weten dat de wet, bij alles wat zij zegt, spreekt tot hen die onder de wet zijn, opdat iedere mond gestopt worde en heel de wereld schuldig worde voor God; 20 omdat uit werken van de wet geen vlees voor Hem gerechtvaardigd wordt, want vanuit de wet is er kennis van de zonde.
Maar nu is rechtvaardigheid door geloof in Jezus Christus openbaar geworden
21 Maar nu is er zonder wet rechtvaardigheid van God openbaar geworden, waarvan getuigd wordt door de wet en de profeten. 22 Rechtvaardigheid van God door geloof in Jezus Christus (vergelijk 3:3) voor allen die geloven. Want er is geen onderscheid, 23 want allen hebben gezondigd en zijn verstoken van de heerlijkheid van God 24 om niet gerechtvaardigd wordend door zijn genade door de verlossing die in Jezus Christus is, 25 die God voorgesteld heeft tot een verzoeningsmiddel door zijn bloed door het geloof tot het tonen van zijn rechtvaardigheid door het over het hoofd zien van de zonden die tevoren gepleegd waren 26 vanwege het geduld van God, tot het tonen van zijn rechtvaardigheid nu, zodat Hij rechtvaardig is en hem rechtvaardigt die uit het geloof in Jezus is.
27 Waar dan het roemen? Het is uitgesloten! Door welke wet? Die van de werken? Nee, maar door de wet van geloof! 29 Of is God alleen van de Joden? Niet ook van volken? Ja, ook van volken, 30 Want Eén is God die de besnijdenis zal rechtvaardigen uit geloof en de voorhuid door het geloof.
Deze rechtvaardigheid is al in de wet (Oude Testament) te vinden
31 Maken wij de wet krachteloos door het geloof? Zeker niet. Maar wij bevestigen de wet
4 Wat zullen wij dan zeggen dat Abraham, onze voorvader naar het vlees, gevonden heeft? 2 Want als Abraham uit werken gerechtvaardigd werd, heeft hij roem, maar niet bij God. 3 Want wat zegt de Schrift? Abraham geloofde God en het werd hem tot rechtvaardigheid gerekend. 4 Maar het loon voor hem die werkt wordt niet gerekend naar genade, maar naar verplichting, 5 maar voor hem die niet werkt, gelovend in Hem die de goddeloze rechtvaardig maakt, wordt zijn geloof gerekend tot gerechtigheid 6 zoals ook David de zaligspreking zegt van de mens aan wie God gerechtigheid toerekent zonder werken.
7 Zalig van wie de wetteloosheden vergeven werden
en van wie de zonden bedekt werden;
8 Zalig de man aan wie de Heer de zonde niet toerekent.
9 Gaat deze zaligspreking dan over de besnijdenis of over de voorhuid? Want wij zeggen: ‘Abraham werd het geloof tot rechtvaardigheid gerekend. 10 Hoe dan werd het toegerekend? Toen hij in de besnijdenis was of in de voorhuid? Niet in de besnijdenis, maar in de voorhuid! 11 En het teken van de besnijdenis ontving hij als een zegel van de rechtvaardigheid van het geloof dat hij had toen hij in de voorhuid was om een vader te zijn van allen die geloven tijdens de onbesnedenheid (M), zodat ook hen de gerechtigheid wordt toegerekend, 12 en een vader van de besnijdenis, hen die niet alleen uit de besnijdenis zijn, maar ook wandelen in de voetsporen van het geloof van onze (hier de Joden) vader Abraham in zijn onbesneden staat.
(vanuit Abrahams perspectief vooruitkijkend)
13 Want niet door de wet was de belofte aan Abraham of zijn nageslacht, een erfgenaam van de wereld te zijn, maar door de rechtvaardigheid van het geloof. 14 Want als zij, die uit de wet zijn, erfgenamen zijn, is het geloof leeg geworden en is de belofte krachteloos geworden. 15 Want de wet bewerkt toorn. Waar geen wet is, is ook geen overtreding. 16 Daarom uit geloof, opdat naar genade, zodat de belofte vast is voor heel het nageslacht, voor wie niet alleen uit de wet, maar ook uit het geloof van Abraham is, die is een vader van ons allen, 17 zoals geschreven is: tot een vader van vele volken heb ik u gesteld, voor het aangezicht van God in wie hij geloofde, die de doden levend maakt en datgene wat er niet is, roept als wat er is. 18 Deze geloofde tegen hoop op hoop dat hij een vader van vele volken zou worden volgens het gezegde: zo zal uw nageslacht zijn, 19 en niet verzwakt wordend in geloof, begreep hij dat zijn eigen lichaam verstorven was, omdat hij ongeveer 100 jaar oud was; en het versterven van de moederschoot van Sara, 20 maar aan de belofte van God heeft hij niet getwijfeld door ongeloof, aan God eer gevend, 21 en geheel overtuigd zijnde, dat Hij die belooft ook in staat is te doen. 22 Daarom werd het hem tot gerechtigheid gerekend. 23 Het werd niet geschreven omwille van hem alleen dat het hem werd toegerekend, 24 maar ook omwille van ons, wie het zal worden toegerekend, aan ons die geloven in Hem die Jezus onze Heer, uit de doden heeft opgewekt, 25 die is overgeleverd omwille van onze overtredingen en werd opgewekt om onze rechtvaardiging.
(In h. 4 wordt Abraham 7x (voor)vader genoemd.)
5 Gerechtvaardigd dan uit geloof, hebben wij vrede met betrekking tot God door onze Heer Jezus Christus 2 door Wie wij ook de toegang hebben verkregen tot deze genade waarin wij staan en roemen in de hoop op de heerlijkheid van God. 3 Niet alleen dat, maar wij roemen ook in de verdrukkingen, wetend dat de verdrukking volharding uitwerkt, 4 de volharding beproefdheid, de beproefdheid hoop. 5 De hoop maakt niet beschaamd, want de liefde van God is in onze harten uitgegoten door de Heilige Geest die ons gegeven is. 6 Want Christus stierf te bestemder tijd (R), toen wij nog zwak (vgl. 8:3 R) waren, voor goddelozen. 7 Want nauwelijks zal iemand voor een rechtvaardige sterven. Want voor de goede heeft iemand misschien de moed ook te sterven; 8 maar God bewijst zijn liefde naar ons, want, toen wij nog zondaren waren, stierf Christus voor ons. 9 Veel meer dan, nu gerechtvaardigd door zijn bloed, zullen wij door Hem gered worden van de toorn. 10 Want als wij, terwijl we vijanden zijn, met God verzoend zijn door de dood van zijn Zoon, veel meer zullen wij, verzoend, gered worden door zijn leven. 11 En niet alleen dat, maar wij zijn ook roemende in God door onze Heer Jezus Christus, door Wie wij nu de verzoening ontvingen.
De zonde is al met Adam begonnen
12 Daarom, zoals door één mens de zonde de wereld binnenkwam en door de zonde de dood, zo verbreidde zich ook de dood naar alle mensen, aangezien allen zondigden. 13 Want tot de wet was de zonde in de wereld, maar de zonde wordt niet toegerekend als er geen wet is, 14 maar de dood heerste als koning van Adam tot Mozes ook over hen die niet zondigden zoals Adam overtrad die een beeld is van de komende. 15 Maar het is met de overtreding niet als met de genadegave; want als door de overtreding van één de velen zondigden, veel meer werd de genade van God en het geschenk in genade die komt van de ene mens Jezus Christus voor de velen overvloedig. 16 En met het geschenk is het niet als door het zondigen van één. Want het oordeel over één zonde leidt tot veroordeling , maar de genadegave van vele overtredingen tot rechtvaardiging. 17 Want als door de overtreding van één de dood als koning heerste door de ene, veel meer zullen zij die de overvloed van de genade en van het geschenk van rechtvaardigheid ontvangen, in leven als koningen heersen door de Ene, Jezus Christus. 18 Derhalve, zoals het door één overtreding voor alle mensen tot veroordeling komt, zo komt het ook door één rechtvaardige daad voor alle mensen tot rechtvaardigmaking ten leven. 19 Want zoals door het niet willen horen van één mens de velen zondig gemaakt (M) werden, zo zullen ook door het luisteren van Eén de velen rechtvaardig gemaakt worden. 20 De wet is erbij gekomen, opdat de zonde zou vermeerderen. Maar waar de zonde vermeerderde, werd de genade meer dan overvloedig, 21 opdat, zoals de zonde als koning heerste door de dood, zo ook de genade als koning zou heersen door rechtvaardigheid tot eeuwig leven door Jezus Christus, onze Heer. (12x één)
6 Wat zullen wij dan zeggen? Laten wij in de zonde blijven, opdat de genade vermeerdere? 2 Zeker niet! Hoe zullen wij die voor de zonde gestorven zijn, daarin nog leven? 3 Of weet u niet, dat zovelen als in Christus Jezus gedoopt werden, zij in zijn dood gedoopt werden? 4 Wij zijn dan door de doop met Hem mee begraven in de dood, opdat zoals Christus uit de doden werd opgewekt door de heerlijkheid van de Vader, zo ook wij in nieuwheid van leven zouden wandelen. 5 Want als wij samengeplant zijn met hetgeen gelijk is aan zijn dood, zullen wij het ook zijn met hetgeen gelijk is aan zijn opstanding. 6 Dit weten wij dat onze oude mens meegekruisigd werd, opdat het lichaam van de zonde krachteloos zou worden, opdat wij niet meer slaaf zijn van de zonde; 7 Want wie stierf is vrij geworden van de zonde. 8 Maar als wij stierven met Christus, geloven wij dat wij ook met Hem zullen leven, wetend dat Christus die werd opgewekt uit de doden, niet meer sterft, de dood is niet meer heer over hem. 10 Want wat betreft het feit dat hij stierf, hij stierf eens voor al voor de zonde; wat betreft het feit dat hij leeft, hij leeft voor God. 11 Zo rekent ook u uzelf dood voor de zonde, maar levend voor God in Christus Jezus.
12 Laat dan de zonde niet in uw sterfelijk lichaam als koning heersen om aan zijn begeerten te gehoorzamen, 13 opdat u niet uw ledematen als wapens van ongerechtigheid ter beschikking stelt van de zonde, maar stelt uzelf ter beschikking aan God, als uit de doden levend en uw wapenen als wapenen der gerechtigheid aan God. 14 Want zonde zal over u geen heer zijn, want u bent niet onder wet, maar onder genade.
Hoe leven als wij niet langer onder de wet, maar onder de genade zijn?
15 Wat dan? Zullen wij zondigen omdat wij niet onder de wet zijn, maar onder de genade? Zeker niet. 16 Weet u niet dat aan wie u uzelf als slaven ter beschikking stelt, u slaven bent tot gehoorzaamheid, u een slaaf bent van degene aan wie u gehoorzaamt, hetzij van de zonde tot de dood, hetzij van gehoorzaamheid tot gerechtigheid? 17 Dank aan God. U was slaven van de zonde, maar u bent van harte gehoorzaam geworden aan dat type van onderwijs, dat u overgeleverd werd en bevrijd van de zonde, werd u dienstbaar aan de gerechtigheid. 18 Ik spreek naar de mens omwille van de zwakheid van uw vlees. Want zoals u uw ledematen stelde dienstbaar aan de onreinheid en de wetteloosheid tot de wetteloosheid, zo stelt u nu uw ledematen dienstbaar aan de rechtvaardigheid tot heiliging. 20 Want toen u slaven was van de zonde, was u vrij van de gerechtigheid. 21 Welke vrucht had u toen? Zaken waarover u zich nu schaamt, want het einde van die dingen is dood. Maar nu, bevrijd van de zonde, dienstbaar geworden aan God, hebt u heiliging als uw vrucht met als einde eeuwig leven. 23 Want het loon van de zonde is dood, maar de genadegave van God eeuwig leven in Christus Jezus, onze Heer. (16 x zonde; 1x zondigen = 17x)
7 Of weet u niet, broeders, want ik spreek tot hen die de wet kennen, dat de wet heer is over de mens zolang hij leeft? 2 Want de gehuwde vrouw is door de wet gebonden aan de man wanneer hij leeft. Maar als de man sterft, is zij bevrijd van de wet met betrekking tot de man.
3 Derhalve, als de man leeft, zal zij echtbreekster heten, als zij aan een andere man toebehoort. Maar als de man sterft, is zij vrij van de wet, zodat zij geen echtbreekster is, als zij aan een andere man gaat toebehoren. Zodat, mijn broeders, ook u voor de wet stierf door het lichaam van Christus om toe te behoren aan een ander, aan Hem die uit de doden werd opgewekt, opdat wij voor God zouden vruchtdragen. 5 Want toen wij in het vlees waren, waren de hartstochten van de zonden in ons aan het werk om voor de dood vrucht te dragen. 6 Maar nu werden wij bevrijd van de wet, gestorven aan datgene waardoor wij werden vastgehouden, zodat wij dienen in nieuwheid van geest en niet in de verouderde staat van de letter.
(7 x wet)
(Want de gehuwde vrouw is door de wet aan de man gebonden zolang hij leeft. Maar als hij sterft, is zij vrij van de man vanwege de wet. Derhalve zal zij echtbreekster genoemd worden als zij aan een andere man toebehoort. Maar als de man sterft, is zij vrij van de wet zodat zij geen echtbreekster is als zij aan een andere man toebehoort. 4 Zodat, mijn broeders, ook u stierf voor de wet door het lichaam van Christus, om toe te behoren aan een ander, aan Hem die uit de doden werd opgewekt, opdat wij voor God zouden vruchtdragen. 5 Want toen wij in het vlees waren, werkten de zondige hartstochten die door de wet geactiveerd werden, in onze ledematen om voor de dood vrucht te dragen. 6 Maar nu zijn wij van de wet bevrijd, gestorven voor haar die ons vasthield zodat wij dienen in de nieuwe staat van de Geest en niet in de oude staat van de letter. 7 Wat zullen wij dan zeggen? De wet zonde? Zeker niet! Aar de zonde kende ik niet, als niet door de wet. Immers ook het begeren kende ik niet als de wet niet zei: ‘U zult niet begeren.’ 8 Maar de gelegenheid te baat nemend bewerkte de zonde door het gebod in mij allerlei begeerte, want zonder wet is de zonde dood.
7 Wat zullen wij dan zeggen? Dat de wet zonde is? Zeker niet. Maar ik kende de zonde niet, als het niet door de wet was. Want van de begeerte zou ik niet hebben geweten, als niet de wet zei: ‘U zult niet begeren.’ 8 De gelegenheid te baat nemend, bewerkte de zonde door de wet in mij allerlei begeerlijkheid. Want zonder wet is de zonde dood. 9 Ik leefde toen zonder wet, maar toen de wet kwam, begon de zonde te leven, 10 maar ik stierf, en in mij werd het gebod gevonden, dat tot leven moest leiden, maar zij leidde tot de dood. 11 Want de zonde, die de gelegenheid te baat nam, bedroog mij door het gebod en doodde mij door haar. 12 Dus de wet is heilig en het gebod heilig en rechtvaardig en goed.
8x wet
13 Werd het goede dan voor mij dood? Zeker niet. Maar de zonde bewerkte, opdat zij zou blijken zonde te zijn, door het goede voor mij dood, opdat de zonde bij uitstek boosaardig zou worden door het gebod. 14 Want wij weten dat de wet geestelijk is, maar ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde. 15 Want wat ik bewerk, weet ik niet. Want niet wat ik wil doe ik, maar wat ik haat, dat doe ik. 16 Maar als ik doe wat ik niet wil, stem ik ermee in dat de wet goed is. 17 Maar nu bewerk ik dat niet meer, maar de zonde die in mij woont. 18 Want ik weet dat in mij, dat wil zeggen in mijn vlees, geen goeds woont. Want het willen ligt bij mij, maar het goede uitwerken niet. 19 Want niet wat ik wil, het goede, doe ik, maar wat ik niet wil, het kwade, dat doe ik. 20 Maar als ik dat doe, wat ik niet wil, bewerk ik dat niet meer, maar de zonde die in mij woont. 21 Ik vind dan de wet: Als ik het goede wil doen, is het kwade bij mij aanwezig. 22 Want ik verheug mij in de wet van God naar de innerlijke mens, 23 maar ik zie een andere wet in mijn ledematen die strijd voert tegen de wet van mijn verstand en die mij krijgsgevangene maakt van de wet der zonde die in mijn ledematen is. 24 Ik, ellendig mens. Wie zal mij verlossen uit het lichaam van deze dood; Dank aan God door Jezus Christus, onze Heer. Derhalve dien ik zelf met mijn verstand de wet van God, maar met mijn vlees de wet van de zonde.
9x wet (7x zonde) (12x ik, mij, mijn)
8 Zo is er nu geen veroordeling voor hen die in Christus Jezus zijn. 2 Want de wet van de Geest van leven die in Christus Jezus is, heeft u bevrijd van de wet van zonde en van dood. 3 Want waartoe de wet niet in staat was, omdat zij zwak was door het vlees, God, zijn eigen Zoon zendend in de gelijkheid van het zondige vlees en omwille van de zonde, de zonde veroordeeld in het vlees, 4 opdat de rechtseis van de wet vervuld zou worden, in ons, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest. 5 Want zij die naar het vlees zijn, zijn bedacht op de dingen van het vlees, maar zij die naar de Geest zijn, op de dingen van de Geest. 6 Want het streven van het vlees, is de dood; het streven van de Geest leven en vrede; 7 Daarom is het streven van het vlees vijandschap tegen God, want het onderwerpt zich niet aan de wet van God, want het is daartoe niet in staat. 8 Zij die in het vlees zijn, zijn niet in staat om God te behagen. 9 Maar jullie zijn niet in het vlees, maar in de Geest, als tenminste de Geest van God in jullie woont. Maar als iemand de Geest van Christus niet heeft, behoort deze Hem niet toe. 10 Maar als Christus in jullie is, is weliswaar het lichaam dood omwille van de zonde, maar de geest leven omwille van de gerechtigheid. 11 Want als de Geest van Hem die Jezus uit de dood heeft opgewekt, in jullie woont, zal Hij die Christus uit de doden opwekte, ook uw sterfelijke lichamen levend maken door zijn Geest die in jullie woont.
4x wet (7:1 t/m 8:11 28 x wet) (5x zonde) (10x vlees; 11 x Geest)
12 Derhalve, broeders, zijn wij niet aan het vlees verschuldigd om naar het vlees te leven, 13 want als u naar het vlees leeft, zult u sterven; maar als u door de Geest de praktijken van het lichaam doodt, zult u sterven. 14 Want zovelen als door de Geest van God geleid worden, dezen zijn zonen van God. 15 Want u ontving niet een geest van slavernij, opnieuw tot vrees, maar u ontving een Geest van zoonschap door Wie wij roepen: ‘Abba’, dat is ‘ Vader’. 16 De Geest zelf getuigt samen met onze geest dat wij kinderen van God zijn. 17 Maar als wij kinderen zijn, zijn wij ook erfgenamen; erfgenamen van God, mede-erfgenamen van Christus, als wij inderdaad mee-lijden, opdat wij ook mee-verheerlijkt worden.
18 Want ik ben van oordeel dat de lijdenservaringen van de tegenwoordige tijd niet opwegen tegen de komende heerlijkheid die ons geopenbaard zal worden. 19 Want met reikhalzend verlangen verwacht de schepping het openbaar worden van de zonen van God. 20 Want de schepping is aan de vruchteloosheid onderworpen, niet uit eigen beweging (2x 1 Kor. 9:17), maar door Hem die onderwerpt, op hoop, want ook de schepping zelf zal bevrijd worden van de dienstbaarheid aan de ontbinding tot de vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen van God. 22 Want wij weten dat heel de schepping mee zucht en mee in barensnood is tot nu toe; maar niet alleen zij, ook wijzelf die de eerste werking van de Geest hebben, ook wijzelf zuchten in onszelf, het zoonschap verwachtend, de verlossing van ons lichaam. 24 want op hoop werden wij gered, maar hoop die gezien wordt, is geen hoop; want wie hoopt op wat hij ziet? 25 Als wij dan hopen wat wij niet zien, verwachten wij het met volharding. 26 Evenzo (M) komt ook de Geest onze zwakheid te hulp; want wij weten niet wat wij zullen bidden zoals moet, maar de Geest zelf pleit met onuitsprekelijke verzuchtingen. 27 Want Hij die de harten doorzoekt, weet wat de bedoeling van de Geest is, dat Hij naar de bedoeling van God voor heiligen pleit. 28 Want wij weten dat voor wie God liefhebben alle dingen meewerken ten goede, voor hen die naar het voornemen geroepenen zijn. 29 want die Hij van tevoren kende heeft Hij ook tevoren bestemd tot gelijkvormigheid aan het beeld van zijn Zoon om de Eerstgeborene te zijn onder vele broeders; 30 En die Hij van tevoren bestemde, die riep Hij ook; en die Hij riep die rechtvaardigde Hij ook; en die Hij rechtvaardigde, die verheerlijkte Hij ook.
Paulus over zijn Joodse broeders die Christus nog niet kennen
9 Ik zeg de waarheid in Christus, terwijl in mij mijn geweten mede getuigt door de Heilige Geest, 2 dat er een grote droefheid in mij is en een onophoudelijke pijn in mijn hart. 3 want ik wenste zelf een vervloekte te zijn van Christus ten behoeve van mijn broeders, mijn verwanten naar het vlees, 4 die Israëlieten zijn, aan wie het zoonschap is en de heerlijkheid en de verbonden en de wetgeving en de eredienst en de beloften, 5 aan wie de vaderen zijn en uit wie de Christus is, voor zover Hij uit het vlees is, die is boven allen, God, te prijzen tot in eeuwigheid. Amen.
6 Maar dat het woord van God gefaald zou hebben? In geen geval! Want niet allen die uit Israël zijn, zijn Israël. 7 Noch zijn álle kinderen zijn nageslacht van Abraham, maar door Isaak zal voor u nageslacht uitgeroepen worden. 8 Dat wil zeggen: niet de kinderen van het vlees zijn de kinderen van God, maar de kinderen van de belofte zullen tot nageslacht gerekend worden. 9 Want dit is het woord van de belofte ‘in die tijd zal Ik komen en zal Sara een zoon hebben’. 10 Maar niet alleen dit, ook Rebekka, uit één bijslaap bevrucht van Isaak, onze vader, … 11 want toen zij nog niet geboren waren en nog niet iets goeds of slechts gedaan hadden, opdat het voornemen van God naar verkiezing zou blijven, niet uit werken, maar vanuit Hem die roept, werd tot haar gezegd ‘de meerdere zal de mindere dienen, 13 zoals geschreven staat: ‘Jakob heb Ik liefgehad, maar Esau heb Ik gehaat.’
14 Wat zullen wij dan zeggen? Toch geen onrechtvaardigheid bij God? Zeker niet! 15 Want Hij zegt tot Mozes: ‘Ik zal mij ontfermen over wie Ik mij ontferm en Ik zal barmhartigheid bewijzen over wie Ik barmhartigheid bewijs.’ 16 Derhalve: het hangt niet af van wie wil, noch van wie loopt, maar van God die zich ontfermt. 17 Want de Schrift zegt tot Farao: ‘Daartoe heb Ik u opgewekt, opdat Ik in u mijn macht zal tonen en opdat mijn naam bekend gemaakt zal worden op de hele aarde. 18 Derhalve ontfermt Hij zich over wie Hij wil, maar ook verhardt Hij wie Hij wil. 19 U zult dan tot mij zeggen: ‘Wat zal Hij nog verwijten (zie Mark. 7:2; Heb. 8:8)? Want wie heeft zijn wil weerstaan? 20 O mens, integendeel. Wie bent u die God tegenspreekt? Het boetseerwerk zal toch niet zeggen tot de boetseerder; ‘Waarom hebt u mij zo gemaakt?’ Of heeft de pottenbakker niet de bevoegdheid uit het leem van zijn klomp een voorwerp tot eer te maken, maar ook tot oneer. 22 Als God, willende zijn toorn tonen en zijn macht bekend maken met veel lankmoedigheid de voorwerpen van zijn toorn, toebereid tot ondergang, verdragen heeft, opdat Hij ook de rijkdom van zijn heerlijkheid bekend zou maken over de voorwerpen van ontferming die Hij van tevoren heeft toebereid tot heerlijkheid? 24 Die Hij ook geroepen heeft, ons, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de volken, 25 zoals Hij ook in Hosea zegt: ‘Ik zal niet-mijn-volk uitroepen tot mijn-volk en de niet-geliefde tot geliefde. 26 en het zal zijn in de plaats waar tot hen werd gezegd: ‘jullie zijn niet-mijn-volk, daar zullen zij uitgeroepen worden tot zonen van de levende God.’
27 En Jesaja schreeuwt over Israël uit: ‘Al is het getal van de zonen van Israël als het zand van de zee, het overblijfsel zal gered worden, want een woord dat voltooit en inkort, zal de Heer doen op de aarde.’
29 En zoals Jesaja van tevoren heeft gezegd: ‘Als niet de Heer Sebaoot (= van de hemelse legermachten) aan ons een nageslacht had overgelaten, als Sodom zouden wij geworden zijn, en aan Gomorra zouden wij gelijk geworden zijn.’
30 Wat zullen wij dan zeggen? ‘Volken die geen gerechtigheid najoegen, verkregen gerechtigheid, gerechtigheid die uit geloof is. Maar Israël dat een wet van gerechtigheid najoeg, is aan de wet niet toegekomen. 32 Waardoor niet? Omdat het niet handelde uit geloof, maar als uit werken; zij stootten zich aan de steen des aanstoots, 33 zoals geschreven staat: ‘Zie, Ik leg in Sion een steen des aanstoots en een struikelblok, maar wie zijn vertrouwen stelt op Hem, zal niet teleurgesteld worden.
10 Broeders, het welbehagen van mijn hart en het gebed tot God voor hen tot redding. 2 Want ik getuig van hen dat zij ijver voor God hebben, maar niet naar kennis, 3 want onbekend met de gerechtigheid van God en zoekend te staan in de eigen, hebben zij zich aan de gerechtigheid van God niet onderworpen. 4 Want het einddoel van de wet is Christus, tot gerechtigheid voor ieder die gelooft. 5 Want Mozes schrijft over de gerechtigheid die uit de wet is ‘de mens die deze dingen doet, zal daardoor leven’. 6 Maar de gerechtigheid uit geloof zegt het zo: ‘zeg niet in uw hart “wie zal opstijgen naar de hemel, dat is om Christus naar beneden te brengen” 7 of ‘wie zal afdalen naar de afgrond, dat is “om Christus uit de doden omhoog te brengen”’. 8 Maar wat zegt zij? ‘Nabij u is het woord, in uw mond en in uw hart,’ dat is het woord van geloof dat wij verkondigen. 9 Want als u met uw mond belijdt dat Jezus Heer is en gelooft met uw hart dat God Hem uit de doden opwekte, zult u gered worden. Want met het hart wordt geloofd tot gerechtigheid, maar met de mond wordt beleden tot redding. 11 Want de Schrift zegt: ‘Ieder die in Hem gelooft, zal niet teleurgesteld worden’. 12 Want er is geen onderscheid tussen Jood en Griek, want Hijzelf is Heer over allen, rijk voor allen die Hem aanroepen. 13 Want ieder die de naam van de Heer zal aanroepen, zal gered worden.
14 Hoe dan zullen zij Hem aanroepen in wie zij niet geloofden?
Hoe zullen zij geloven in Hem van wie zij niet hebben gehoord?
Hoe zullen zij horen zonder verkondiger?
Hoe zullen zij verkondigen als zij niet gezonden worden?
Zoals geschreven staat: ‘hoe lieflijk de voeten van hen die goede dingen verkondigen’. 16 Maar niet allen gehoorzaamden de goede boodschap. Want Jesaja zegt: ‘Heer, wie geloofde wat hij van ons hoorde?’ 17 Het geloof is dan uit het horen, maar het horen door middel van het woord aangaande Christus. 18 Maar ik zeg: ‘Hoorden zij niet? Integendeel. Naar de hele aarde ging hun geluid uit en naar de uiteinden van de wereld hun woorden.’
19 Maar ik zeg: ‘Heeft Israël het niet gekend?’ Vooreerst zegt Mozes: ‘Ik zal u jaloers maken op wat geen volk is. Op een onverstandig volk zal Ik u toornig maken.’ 20 En Jesaja waagt te zeggen: ‘Ik werd gevonden door hen die Mij niet zochten, Ik werd manifest voor hen die naar Mij niet vroegen’. Maar tot Israël zegt Hij: ‘De hele dag strekte Ik mijn handen uit naar een volk, ongehoorzaam is en tegenspreekt’.
11 Ik zeg dan: ‘God heeft zijn volk toch niet van verstoten?’ Zeker niet. Want ook ik ben een Israëliet, uit het nageslacht van Abraham, uit de stam Benjamin. 2 God heeft zijn volk niet verstoten dat Hij tevoren kende.
Of weet u niet wat Elia in de Schrift zegt als hij bij God tegen Israël klaagt. 3 ‘Heer, uw profeten doodden zij; uw altaren haalden zij omver en ik ben alleen overgebleven en zij zoeken mijn leven. 4 Maar wat zegt de Godsspraak hem? ‘Ik heb voor Mijzelf 7000 man overgelaten die de knie niet voor Baäl hebben gebogen.’ 5 Zo is er dan ook in de tegenwoordige tijd een overblijfsel gelaten naar de verkiezing van genade. 6 Maar als het door genade is, is het niet meer uit werken. Anders is de genade geen genade meer. 7 Wat is dan het geval? Wat Israël zoekt, dat verkreeg het niet, maar het uitverkoren deel verkreeg het. De overigen werden verhard, zoals geschreven is: God gaf hen een geest van verdoving, ogen om niet te zien, oren om niet te horen, tot de dag van vandaag.
9 En David zegt: ‘Laat hun tafel voor hen worden tot een valstrik en tot een klapnet en tot een steen des aanstoots en tot hun verdiende loon. 11 Laten hun ogen verduisterd worden zodat zij niet zien en hun rug voortdurend gekromd.
11 Ik zeg dan: zij struikelden toch niet opdat zij zouden vallen? Zeker niet. Maar door hun val kwam de redding voor de volken om hen jaloers te maken. 12 Maar als hun val rijkdom voor de wereld is en hun verlies rijkdom voor de volken, hoeveel meer hun volheid.
Paulus spreekt nu met name de gelovigen uit de volken aan
13 Maar ik zeg tot jullie, volken: voor zover ik apostel van de volken ben, roem ik mijn dienst. 14 Of ik misschien mijn vlees jaloers zal maken en ik sommigen uit hen zal redden. 15 Want als hun verwerpen verzoening voor de wereld is, wat zal hun aanvaarden[1] anders zijn dan leven uit de doden? 16 Als dan de eersteling heilig is, ook het deeg; en als de wortel heilig is, ook de takken.
17 Maar als sommige van de takken werden weggebroken, … jij, die een wilde olijf bent, in hen werd geënt en deelgenoot van de vetrijke wortel van de olijf, beroem je niet tegen de takken. 18 Want als het om je beroemen gaat: niet jij draagt de wortel, maar de wortel jou. 19 Jij zult dan zeggen: takken werden weggebroken opdat ik ingeënt zou worden. 20 Goed. Door ongeloof werden zij weggebroken, en jij staat door geloof. Verbeeld je geen hoge dingen, maar vrees. 21 Want als God de takken die het van nature zijn, niet spaarde, zal Hij ook jou niet sparen. 22 Zie dan de barmhartigheid en de strengheid van God. Over de gevallenen strengheid, maar over jou barmhartigheid van God, als je bij de barmhartigheid blijft, anders zal Hij ook jou afsnijden. 23 En die, als zij niet blijven bij hun ongeloof, zullen geënt worden, want God is machtig hen opnieuw te enten. 24 Want als jij werd afgesneden van de wilde olijf, waartoe je van nature behoort, en tegen de natuur in geënt bent in de edele olijf, hoeveel te meer zullen dezen volgens hun natuur, geënt worden in de eigen olijf. (In de Griekse tekst vinden we in dit gedeelte 8x het persoonlijk voornaamwoord jij of u in het enkelvoud. In bijvoorbeeld vers 19 ‘Jij zult dan zeggen is in het Grieks het ‘jij’ opgenomen in het werkwoord.)
25 Want ik wil niet broeders dat u onkundig bent van dit geheimenis, opdat u niet eigenwijs (chiastisch met 12:16) zult zijn, dat een gedeeltelijke verharding aan Israël is geschied, tot de volheid van de volken binnengaat, 26 en zo zal geheel Israël gered worden, zoals geschreven staat: ‘De verlosser zal uit Sion komen, Hij zal de goddeloosheden van Sion afwenden. 27 En dit is Mijn verbond met hen, wanneer Ik hun zonden vergeef.’
28 Naar het evangelie zijn zij vijanden omwille van jullie, naar de verkiezing geliefden omwille van de vaderen, 29 want de genadegaven en de roeping van God zijn onberouwelijk. 30 Want zoals jullie toen ongehoorzaam waren aan God, maar nu aan u ontferming is betoond door de ongehoorzaamheid van die, 31 zo zijn ook dezen nu ongehoorzaam omwille van jullie ontferming, opdat ook zij zelf ontferming zouden vinden. 32 Want God heeft allen ingesloten tot ongehoorzaamheid, opdat Hij zich over allen zou ontfermen.
33 O diepte van rijkdom en wijsheid en kennis van God,
hoe ondoorgrondelijk zijn oordelen en onnaspeurlijk zijn wegen.
34 Want wie kent het denken van de Heer?
Of wie werd zijn raadsman?
35 Of wie gaf Hem eerst dat aan hem terugbetaald zal worden?
36 Want uit Hem en door Hem en tot Hem alle dingen.
Aan Hem de heerlijkheid tot in eeuwigheid. Amen.
Paulus richt zich nu met name op het heiden-christelijke deel van de gemeente
12 Ik roep u dan op, broeders, omwille van de barmhartigheden van God (Paulus richt zich hier nog steeds allereerst tot de christenen uit de volken in de gemeente, zie slot h. 11), uw lichamen te stellen tot een levend, heilig offer, welgevallig aan God, uw geestelijke dienst. 2 En wordt niet gelijkvormig aan de tijdgeest [2], maar laat u veranderen door de vernieuwing van denken om te toetsen wat de wil van God is, het goede, het welgevallige en volkomene.
3 Want ik zeg, door de genade die mij gegeven is, aan elk van u, niet hoogmoedig te zijn in uw denken (naar de nog niet gelovige Joden toe, zie h. 11), maar bezonnen te zijn, ieder naar de mate van geloof zoals God toedeelt.
4 Want zoals wij in één lichaam vele leden hebben, maar alle leden niet dezelfde bezigheid hebben, 5 zo zijn wij, de velen, één lichaam in Christus, maar afzonderlijk leden ten opzichte van elkaar, 6 genadegaven hebbend, onderscheiden naar de genade die aan ons gegeven is, hetzij profetie naar evenredigheid van geloof, 7 hetzij dienst, in dienstbetoon, hetzij de leraar in het onderwijs, hetzij de vermaner in het vermanen, wie iets meedeelt (vergelijk 1:11), in eenvoud, wie leidinggeeft, in ijver, wie zich ontfermt, in blijmoedigheid.
12 + 7 eigenschappen van de christelijke liefde
9 De liefde niet hypocriet: (nu volgt 9b-13, twaalf voorbeelden, als uitwerking van 9a)
1. Het kwade verafschuwend,
2. gehecht aan het goede;
3. 10 in broederlijke liefde (Grieks: filadelfia) elkaar toegewijd;
4. in positie, elkaar voor laten gaan,
5. 11 in ijver, niet talmend,
6. in de Geest, brandend;
7. de Heer dienend,
8. 12 in de hoop, zich verblijdend,
9. in verdrukking, volhardend,
10. in gebed, standvastig blijvend,
11. 13 delend in de levensbehoeften van de heiligen delend,
12. de liefde tot de vreemdeling najagend.
(Juist het 7de punt is de kern: de Heer dienend)
(nu volgen zeven verdere uitwerkingen van de liefde)
1. 14 zegen de vervolgers, zegen en vervloek niet.
2. 15 blij zijn met de blijden, wenen met de wenenden,
3. 16 en wordt niet eigenwijs, eensgezind naar elkaar toe (vergelijk 2 Korintiërs 13:11), niet op hoge dingen zinnend, maar u wijdend aan de eenvoudige,
4. 17 niet kwaad met kwaad vergeldend, het goede voorhebbend voor alle mensen,
5. 18 als u daartoe in staat bent, met alle mensen in vrede levend,
6. 19 uzelf niet wrekend, geliefden, maar geef plaats aan de toorn, want er staat geschreven:
‘aan Mij de straf, Ik zal vergelden, zegt de Heer,’ 20 maar als uw vijand hongerlijdt, geef hem te eten, als hij dorst heeft, geef hem te drinken, want dit doende, zult u kolen van vuur op zijn hoofd stapelen.
7. 21 word niet overwonnen door het kwade, maar overwin door het goede het kwade.
(het midden is een kernpunt over kwaad en goed. Zo begon Paulus in vers 9; zo eindigt hij in vers 21.)
[1] Zelfstandig naamwoord proslèmpsis; Vergelijk het werkwoord proslambanoo in 14:1, 3; 15:7. Zowel zelfstandig naamwoord als werkwoord mijns inziens hier actief bedoeld. Paulus hoopt immers sommigen te redden, wat inhoudt dat zij het evangelie niet langer zullen verwerpen. (In 1 Samuël 2:22 verwerpen en aannemen echter door God.)
[2] Letterlijk: deze eeuw.