Voor het begin van dit deel, zie onder ‘Van U is de toekomst’: De toekomst van Abraham.

Inleiding:

In ‘De toekomst van Abraham’ vonden we als Abrahams toekomstige bestemming ‘het hemelse Jeruzalem’. Hij behoort daar tot ‘de geesten van de rechtvaardigen die tot volmaaktheid gekomen zijn’. Deze laatste woorden staan in het kader van de opsomming van Hebreeën 12:22-24.

Wat vinden we in het onderstaande gedeelte? Hier wordt de opsomming van 12:22-24 verder uitgewerkt.

1. Deze opsomming is in te delen in een zevenvoudige structuur. Dat wordt hieronder uitgewerkt.

-Ook staan we stil bij de mogelijke herkomst van de begrippen rechtvaardige, eerstgeborene en tuchtiging in de Hebreeënbrief.

Vervolgens: -De schrijver van de Hebreeënbrief houdt zijn lezers voor dat zij genaderd zijn tot ‘de Sionsberg, de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem’. Het blijkt dat het werkwoord naderen zevenmaal in de Hebreeënbrief voorkomt in een duidelijke structuur van vier + drie.

2. Voordat de schrijver zegt dat de lezer tot het hemelse Sion is genaderd, wijst hij erop dat wij nu niet meer genaderd zijn tot de berg Sinaï zoals eertijds het Israël (12:18-21). Ook de opsomming die hij hier gebruikt, blijkt uit zeven elementen opgebouwd.

1. Zevenvoudige structuur in Hebreeën 12:22-24

In de Bijbel staat de tekst gewoon als één geheel. In de vertaling NBV21:

22 Nee, u bent de Sionsberg genaderd, de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem, en duizenden engelen die in vreugde bijeen zijn, 23 de gemeenschap van eerstgeborenen, die in de hemel ingeschreven zijn; u bent God genaderd, de rechter van allen, en de geesten van de rechtvaardigen, die tot volmaaktheid gekomen zijn, 24 de bemiddelaar van een nieuw verbond, Jezus, en het gesprenkelde bloed dat krachtiger spreekt dan dat van Abel.

Hieronder geef ik de tekst weer in een zevenvoudige structuur – in eigen vertaling – om deze daarna te bespreken.

‘Maar u bent genaderd

-1. tot Sion, de berg en tot de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem

-2. en tot tienduizenden engelen,

-3. tot een voltallige feestelijke bijeenkomst en vergadering van eerstgeborenen die opgeschreven zijn in de hemelen

-4. en tot de Rechter die is de God van allen,

-5. en tot de geesten van de rechtvaardigen die de voltooiing hebben bereikt,

-6. en tot de Middelaar van een nieuw verbond, tot Jezus,

-7. en tot het bloed ter besprenkeling (van Jezus), dat meer spreekt dan Abel.’

Zijn wij met deze zevenvoudige indeling op een goed spoor? Wordt dit bevestigd door een duidelijke structuur? Hier lijkt een ui-structuur aanwezig te zijn met 4 als kern; vervolgens horen dan 3 en 5 bij elkaar, evenals 2 en 6 en 1 en 7. Is dit inderdaad het geval?

Bij 1: tot Sion, de berg en tot de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem

Wat nu onder 1 genoemd is, zou uit twee delen kunnen bestaan (de berg Sion én de stad van de levende God), maar beide uitdrukkingen duiden dezelfde locatie aan, alleen met een andere invalshoek: de berg Sion is de berg waarop de tempel was gebouwd. Dit alles was binnen de stad Jeruzalem. Daarom kunnen beide uitdrukkingen mijn inziens als één geheel worden gezien.

Bovendien: In het genaderd zijn ‘tot Sion (a), de berg (b) en tot de stad (b) van de levende God, het hemelse Jeruzalem (a)’ zien we in het Grieks een chiastische constructie: de plaatsgegevens berg (b) en stad (b) corresponderen met elkaar, en ook de namen Sion (a) en hemelse Jeruzalem (a).

Bij 2: En tot tienduizenden engelen

En zo zijn jullie ook genaderd tot tienduizenden engelen. Bij God zijn vele engelen. Zo lezen wij bijvoorbeeld in Daniël 7:10 ‘duizendmaal duizenden dienden Hem; tienduizend maal tienduizenden stonden vóór Hem.’

Ook in Deuteronomium 33:2 NBG51 lezen wij dat tienduizenden engelen Hem vergezellen: De HERE is gekomen van Sinaï en over hen opgegaan uit Seïr; Hij is in lichtglans verschenen van het gebergte Paran en gekomen uit het midden van heilige tienduizenden; (…).

Bij 3: de feestelijke bijeenkomst en vergadering van eerstgeborenen die opgeschreven zijn in de hemelen

Wie zijn de eerstgeborenen van wie de namen opgetekend zijn (apografoo) in de hemelen?

Jezus zegt tot de 70 leerlingen die Hij had uitgezonden, als zij terugkeren, dat zij zich er niet over moeten verheugen dat de (boze) geesten zich aan hen onderwerpen, ‘maar verheugt u, dat uw namen staan opgetekend (enggrafoo, inschrijven) in de hemelen (Lucas 10:20 NBG51).’

Mogelijk is er in Hebreeën 12:23 een toespeling op het apocriefe boek 3 Makkabeeën. 3 Makkabeeën is een apocrief boek dat indertijd in de Statenvertaling is opgenomen. Ontstaan mogelijk in het begin van de 1e eeuw v.Chr.[2] Dit boek handelt over de positie van de Joden in Egypte. Hier wordt het werkwoord apografoo gebruikt voor het opschrijven van de namen van de Joden in Alexandrië om hen als slaaf weg te voeren (3 Makkabeeën 2:29[3]; zie ook vs. 28).

Als de brief aan de Hebreeën (ook) gericht is aan de Joods-christelijke gemeenschap in Alexandrië, zou dit een toespeling kunnen zijn op hun situatie. De namen van jullie voorouders werden hier opgeschreven (apografoo) tot verderf (3 Makkabeeën 6:34[4]), maar de namen van hen die Christus hebben leren kennen, staan opgeschreven (apografoo) in de hemelen.  

Waarom heten zij eerstgeborenen? Zij zijn genoemd naar de Eerstgeborene (Hebreeën 1:6). Ook hebben zij het eerstgeboorterecht verkregen. In Hebreeën 12:16 NBG51 lezen we: Laat niemand een hoereerder zijn, of onverschillig als Esau, die voor één spijze zijn eerstgeboorterecht verkocht.

Wordt hiermee niet verondersteld dat de Hebreeën aan wie de brief gericht is, ook eerstgeborenen zijn die hun eerstgeboorterecht níet moeten verkopen? De eerstgeborenen, bedoeld in 12:23, zijn dan zij die nu al – op het moment van het schrijven van de brief aan de Hebreeën – in het hemelse Jeruzalem aangekomen zijn.

De brief van Jakobus, direct na Hebreeën, spreekt van eerstgeborenen in de zin van eerstelingen uit Gods schepping? Jakobus 1:18 NBG51:  ‘Naar zijn raadsbesluit heeft Hij ons voortgebracht door het woord der waarheid, om in zekere zin eerstelingen (Grieks: aparchè) te zijn onder zijn schepselen.’

Rechtvaardigen, eerstgeborenen en tuchtiging

De Psalmen van Salomo is een bundel van 18 liederen, waarschijnlijk geschreven halverwege de eerste eeuw v.Chr. Tot de 5e eeuw n.Chr. werden ze tot de apocriefe boeken van het Oude Testament gerekend. Daarna verdwenen ze uit het zicht om in de 17e eeuw herontdekt te worden. Waarom ze aan Salomo toegeschreven worden, is niet helemaal duidelijk.[5] In het Nieuwe Testament vinden we waarschijnlijk toespelingen op dit boek.[6]

In de Psalmen van Salomo 13:8-9 lezen we:

De rechtvaardige wordt in het verborgene getuchtigd (Gr: paideuoo, tuchtigen), opdat de goddeloze zich niet over de rechtvaardige verheuge. 9 Want Hij waarschuwt de rechtvaardige als een geliefde zoon en tuchtigt (Gr: paideia, tuchtiging) hem als een eerstgeborene.

En in Psalmen van Salomo 18:4 staat:

Uw tuchtiging (Gr: paideia) over ons is als over een eerstgeboren, enige zoon, zodat Gij gewillige zielen van onbewuste dwalingen afbrengt.

Opvallend is dat het ook hier, evenals in Hebreeën 12:23 gaat over rechtvaardigen en eerstgeborenen. Deze woorden uit de Psalmen van Salomo 13:9 komen in Hebreeën 12:23 in omgekeerde volgorde terug. Dat de volgorde omgekeerd wordt, zien we regelmatig bij aanhalingen in het Nieuwe Testament.

Opvallend is dat ook in Hebreeën 12:4-11 van de tuchtiging (Gr: paideuoo en paideia) van Gods zonen wordt gesproken.

Onze conclusie is dat de christenen in de gemeente van de Hebreeën als eerstgeborenen worden gezien.

De feestelijke bijeenkomst en vergadering van de eerstgeborenen

Letterlijk staat er: (tot de) (voltallige feestelijke) vergadering (panèguris) en bijeenkomst (ekklèsia) van eerstgeborenen.

In het slot van het boek Jesaja, 66:7-10 NBV21 staat over de toekomst van Jeruzalem:

Nog voor Sion weeën heeft, moet ze bevallen;
voor de barensnood over haar komt,
brengt ze een zoon ter wereld.
8 Wie heeft ooit zoiets gehoord?
Wie heeft ooit zoiets gezien?
Kan een land in één dag worden gebaard,
kan een volk in één keer worden geboren?
Maar Sion baart haar kinderen
terwijl de weeën net begonnen zijn.
9 Zou Ik de moederschoot openen
en niet laten baren? – zegt de HEER.
Of zou Ik laten baren
en de schoot gesloten houden? – zegt jullie God.
10 Laat allen die Jeruzalem liefhebben
zich met haar verheugen en juichen om haar,
laat allen die om haar treuren
nu samen met haar jubelen.

De Griekse tekst heeft bij juichen om haar het werkwoord pan-èguridzoo (in een voltallige feestelijke bijeenkomst bijeen zijn). Mogelijk is panèguris van hieruit overgenomen in Hebreeën 12. Ook hier in Hebreeën 12 evenals in Jesaja 66 vinden we beide namen Sion en Jeruzalem en een feestelijke bijeenkomst van de eerstgeborenen. Wat in Jesaja 66 werd aangekondigd, is nu werkelijkheid. Omdat het in Jesaja 66 bij panèguridzoo om een bijeenkomst van Israëlieten gaat en niet van engelen, zal in Hebreeën 12 met panèguris ook de bijeenkomst van eerstgeborenen zijn bedoeld. Panèguris en ekklèsia staan in Hebreeën 12 beiden in de derde naamval. Het lijkt waarschijnlijker dat panèguris zo een eenheid vormt met ekklèsia, dan dat het verbonden is met engelen. Niet de engelen, hoewel zij zich verblijden met de gelovigen, maar de eerstgeborenen zelf zijn het die hier in feestelijke vergadering bijeen zijn.

Bij 4: de Rechter, de God van allen

Wat wordt bedoeld met ‘de Rechter (kritès) die de God van allen is’? In Bijbeltextuur letten we ook op verbindingen met andere Bijbelboeken. Meermalen treffen we in een Bijbelboek dat vlak naast het betreffende Bijbelboek staat, een soortgelijke tekst aan die ons verder helpt. Zo schrijft Paulus in een boek dat aan Hebreeën vóóraf gaat (de korte brieven Titus en Filemon staan ertussen), in 2 Timoteüs 4:7-8 NBG51:

Maar ik heb de goede strijd gestreden, de wedloop volbracht, het geloof behouden. 8 Nu wacht mij de erekrans van de gerechtigheid, die de Heer, de rechtvaardige rechter (Grieks: kritès), aan  mij zal geven op de grote dag; en niet alleen mij, maar aan allen die naar komst hebben uitgezien.

Deze Rechter treedt in 2 Timoteüs 4:8 niet op om te vonnissen, maar om te belonen! Paulus verwacht de erekrans van de gerechtigheid als hij voor deze Rechter zal komen. Ook in Hebreeën 12:23 zal het gaan om de Rechter die ieder het loon heeft gegeven. We lezen immers vlak ervoor van de vergadering van eerstgeborenen die (tot leven) zijn opgeschreven in de hemelen en vlak erna van de geesten van rechtvaardigen die hun voltooiing hebben bereikt. Dus deze interpretatie van God als Rechter van 2 Timoteüs 4:8 past heel goed in Hebreeën 12:24.

In het direct ná Hebreeën komende boek, Jakobus, staat: Er is maar één wetgever en rechter: Hij die de machte is te redden of in het verderf te storten (Jakobus 4:12 NBV21).

En: Klaag niet over elkaar, broeders en zusters, want daarmee roept u het oordeel over u af. Bedenk dat de Rechter voor de deur staat (Jakobus 5:9 NBV21).

Hier wordt duidelijk dat de Rechter ook oordeelt.

Wat wordt bedoeld met ‘de God van allen’?

In Hebreeën 11:13 NBV21 lezen we van de geloofsgetuigen uit de tijd van het Oude Testament:

Zij allen zijn in geloof gestorven; wat hun beloofd was hebben ze geen werkelijkheid zien worden, ze hebben slechts een glimp ervan begroet, en ze zeiden van zichzelf dat zij op aarde leefden als vreemdelingen en gasten.

En in het slot van deze opsomming in 11:39:

Al deze mensen, die van oudsher om hun geloof geprezen worden, hebben de beloften niet in vervulling zien gaan (…).

In 12:8 NBV21 is het allen van toepassing op de nieuwtestamentische gelovigen:

Maar als u die leerschool niet doorloopt zoals alle anderen vóór u, dan bent u geen kinderen, maar bastaards.

In 12:23 wordt hierop dan teruggekomen: de God van allen (allen, zowel uit de tijd van het Oude als het Nieuwe Testament).

Bij 5: De voltallige feestelijke bijeenkomst en vergadering van eerstgeborenen en de geesten van rechtvaardigen

Als 4 het centrum is, corresponderen de onder 3 en 5 genoemden dan met elkaar: de voltallige feestelijke bijeenkomst en vergadering van eerstgeborenen en de geesten van de rechtvaardigen?

Beide malen gaat het om hen die zijn gered; de geesten van de rechtvaardigen uit het Oude Testament en de gemeente van de eerstgeborenen uit het Nieuwe Testament. Tegelijk is er ook een tegenstelling: in 3 gaat het over eerstgeborenen en in 5 over de geesten die de voleinding hebben bereikt.

Vervolgens corresponderen dan 2 en 6 met elkaar:

-tienduizenden engelen

-Jezus, de middelaar van een nieuw verbond,

Wat verbindt de tienduizenden engelen met de middelaar van het nieuwe verbond, Jezus? De overeenkomst is dat de engelen uitgezonden zijn om hen bij te staan die de redding als erfenis zullen ontvangen (redding, Grieks: sootèria) beërven (Hebreeën 1:14) en dat Jezus (Hebreeën 2:10) de grondlegger van hun redding (Grieks: sootèria) wordt genoemd.  Verder wordt in het Grieks leitourgos, dienaar, in de brief aan de Hebreeën tweemaal gebruikt. In 1:7 worden de engelen zo genoemd en in 8:2 Jezus, ‘die de dienst vervult in het ware heiligdom’.

De overeenkomst tussen 1 en 7: De berg Sion, het hemelse Jeruzalem, de stad van de levende God en het bloed ter besprenkeling van Jezus.

1 en 7 kunnen beiden hun wortels hebben in Jesaja 4:3-5 NBV21:

Ieder die nog in Sion over is, ieder die in Jeruzalem is achtergebleven, zal heilig genoemd worden, alle mensen in Jeruzalem die ten leven opgeschreven zijn. 4 Wanneer de HEER het vuil van Sions vrouwen heeft weggewassen en het bloed van Jeruzalem heeft afgespoeld, door een zuiver oordeel en een zuiverend vuur, 5 dan zal Hij boven de plaats waar de Sion ligt en waar men bijeenkomt, een wolk scheppen voor overdag en een lichtend vuur met rook en vlammen voor de nacht. Die zullen de luister van de Sion overdekken, 6 als een hut die schaduw biedt in de hitte van de dag, en een schuilplaats tegen storm en regen.

In Jesaja 4:3 is evenals in Hebreeën 12:22 sprake van Sion en Jeruzalem. Jesaja 4:3 spreekt van een ten leven opgeschreven zijn (Grieks: grafoo) en Hebreeën spreekt eveneens van een opgeschreven zijn (Grieks: apo-grafoo) (in de hemelen). Jesaja 4:4 spreekt van een schoongewassen zijn van de dochters van Sion (De Griekse vertaling heeft: van de zonen en van de dochters van Sion) en van een weggespoeld zijn van de bloedvlekken van het geweld. Hebreeën 12:24 noemt het bloed der besprenkeling van Jezus dat reinigt.

Toen ik Jesaja 4 nog weer doorlas viel mij op dat het hier evenals in Hebreeën 12:22-24 over een samenkomst gaat, al gebruikt de Griekse tekst dit woord niet; in Jesaja 4:3-5 gaat het om een samenkomen onder de wolk- en vuurkolom. In Hebreeën 12:23 lezen we over de samenkomst van de eerstgeborenen.

Bij 6: en tot de Middelaar van een nieuw verbond, tot Jezus,

en bij 7: en tot het bloed ter besprenkeling (van Jezus), dat meer spreekt dan Abel.’

In Hebreeën 9:11-15 NBV21 lezen we:

Christus daarentegen is aangetreden als hogepriester van al het goede dat ons is toebedacht: Hij is door een indrukwekkender en volmaakter tent – die niet door mensenhanden gemaakt is en niet behoort tot onze schepping – 12 voor eens en altijd het hemelse heiligdom binnengegaan, en dan niet met bloed van bokken en jonge stieren maar met zijn eigen bloed. Zo heeft Hij een eeuwige verlossing verworven. 13 Want als het lichaam van wie onrein is al wordt gereinigd en geheiligd wanneer het (a) besprenkeld (rhantidzoo) wordt met het bloed van bokken en stieren of bestrooid met de as van een jonge koe, 14 hoeveel te meer zal dan niet het (a) bloed van Christus, die dankzij de eeuwige Geest zichzelf heeft kunnen opdragen als offer zonder smet, ons geweten reinigen van daden die tot de dood leiden, en het heiligen voor de dienst aan de levende God? 15 Zo is Hij dan (b) bemiddelaar van een nieuw verbond; (…).

Hebreeën 12:22-24 NBV21 Nee, u bent de Sionsberg genaderd, de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem, en duizenden engelen die in vreugde bijeen zijn, 23 de gemeenschap van eerstgeborenen, die in de hemel ingeschreven zijn; u bent God genaderd, de rechter van allen, en de geesten van de rechtvaardigen, die tot volmaaktheid gekomen zijn, 24 (b) de bemiddelaar van een nieuw verbond, Jezus, en het (a) gesprenkelde (rhantidzoo) bloed dat krachtiger spreekt dan dat van Abel.

De woorden besprenkeld en bloed uit Hebreeën 9:13, 14 en bemiddelaar van een nieuw verbond uit Hebreeën 9:15 komen chiastisch terug in Hebreeën 12:24.

Bovenstaande overziende kunnen we zeggen:

Het gaat in Hebreeën 12 om het naderen tot God. We kunnen naderen tot de troon van Gods genade om barmhartigheid te vinden vanwege onze hogepriester Jezus (4:14-16). Maar, zegt de schrijver nu, maak wel ernst met het naderen tot God, want Hij is ook de Rechter. En jullie hebben nog niet tot het uiterste toe weerstand geboden in jullie worsteling tegen de zonde (Hebreeën 12:4-6 NBG51):

‘(…), en gij hebt de vermaning vergeten, die tot u als tot zonen spreekt: Mijn zoon, acht de tuchtiging des Heren niet gering, en verslap niet, als gij door Hem bestraft wordt, 6 want wie Hij liefheeft, tuchtigt de Here, en Hij kastijdt iedere zoon, die Hij aanneemt.’

Bedenk daarom goed tot wie jullie naderen, niet meer tot God op de berg Sinaï zoals indertijd het volk Israël naderde tot God – en daarbij was zelfs Mozes vol vrees en beven – (12:18-21); nee, jullie zijn dichtbij een heel andere berg gekomen: de hemelse berg Sion waarop God een stad heeft gebouwd, het hemelse Jeruzalem, de stad waar Hijzelf, de levende God, woont in zijn hemelse tempel.

U bent genaderd

De schrijver van Hebreeën begint met te zeggen: ‘U bent genaderd’. Toen ik dit werkwoord ‘naderen (pros-erchomai)’ op de computer (in het programma Bibleworks) aanklikte, bleek mij dat dit werkwoord zeven maal in Hebreeën voorkomt (weergave NBV21):

  1. 4:16 Laten we dus zonder schroom de troon van Gods genade naderen, waar we telkens als we hulp nodig hebben barmhartigheid en genade vinden.

2. 7:25 Zo kan Hij allen die God door Hem naderen volkomen redden, omdat Hij voor altijd leeft en zo voor hen kan pleiten.

3. 10:1 Omdat de wet slechts een voorafschaduwing toont van al het goede dat nog komen moet en daarvan niet de gestalte zelf laat zien, heeft hij ook niet de kracht om degenen die jaar in jaar uit God naderen met steeds dezelfde offers ooit tot volmaaktheid te brengen.

4. 10:22 Laten we God dan naderen met een oprecht hart en een vast geloof, nu ons geweten gereinigd is door de besprenkeling van ons hart, en ons lichaam met zuiver water is gewassen.

5. 11:6 Zonder geloof is het onmogelijk God vreugde te geven; wie Hem wil naderen moet immers geloven dat Hij bestaat en dat Hij beloont wie Hem zoeken.

6. 12:18 U bent niet, zoals het volk destijds, iets tastbaars genaderd, geen allesverzengend vuur, dreigende duisternis en woeste wind, 19 geen bazuingeschal en stemgedonder.

7. 12:22 Nee, u bent de Sionsberg genaderd, de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem,

Toen ik de Griekse tekst van de teksten met ‘naderen’ onder elkaar in het zoekprogramma zag staan, viel mij een chiastische structuur in de eerste vier teksten op:

  1. 4:16   a. (…), προσερχώμεθα οὖν μετὰ παρρησίας τῷ θρόνῳ τῆς χάριτος, (…).

2. 7:25   b. (…), ὅθεν καὶ σῴζειν εἰς τὸ παντελὲς δύναται τοὺς προσερχομένους δι᾽ αὐτοῦ τῷ θεῷ, (…).

3. 10:1   b’. (…)             εἰς τὸ διηνεκὲς οὐδέποτε δύναται τοὺς προσερχομένους τελειῶσαι· (…).

4. 10:22 a’. (…), προσερχώμεθα μετὰ ἀληθινῆς καρδίας ἐν πληροφορίᾳ πίστεως (…).

vertaling:

a. (…), laten wij naderen met vrijmoedigheid tot de troon van genade, (…).

b. (…); daarom ook is Hij in staat degenen die door Hem tot God naderen, volkomen te behouden, (…).

b’.             de wet ‘is nooit in staat degenen die voortdurend naderen te volmaken; (…).’

a’. (…), laten wij naderen met een waarachtig hart in volle verzekerdheid van geloof, (…).  

Wij mogen naderen met vrijmoedigheid (1) en met een waarachtig hart in volle verzekerdheid van geloof (4) tot Gods genadetroon.

Jezus is in staat volkomen te behouden wie door Hem tot God naderen; de wet daarentegen is nooit[1] in staat degenen die (ieder jaar met offers) tot haar naderen tot volkomenheid te brengen. Met de wet wordt hier bedoeld het brengen van offers volgens de wet.

De laatste drie zinnen met ‘naderen’ vormen een inclusie (insluiting) binnen 11:1-12:24

5. 11:6 πιστεῦσαι γὰρ δεῖ τὸν προσερχόμενον τῷ θεῷ ὅτι ἔστιν καὶ τοῖς ἐκζητοῦσιν αὐτὸν μισθαποδότης γίνεται.

6. 12:18 Οὐ γὰρ προσεληλύθατε ψηλαφωμένῳ καὶ κεκαυμένῳ πυρι (…).

7. 12:22-23 (…) ἀλλὰ προσεληλύθατε (…) κριτῇ θεῷ πάντων  (…).

a. 11:6 Want wie tot God nadert, moet geloven dat Hij bestaat en een beloner is voor wie Hem zoeken.

b. 12:18 Want u bent niet genaderd tot (…),

a’ 12:22-23 maar u bent genaderd tot de Rechter, de God van allen (…).

Wat in 11:6 geopend wordt, wordt in 12:22-23 afgesloten. 11:6 spreekt over de beloning die het geeft in Hem te geloven; in 12:22-23 wordt deze beloning ook zichtbaar voor de rechtvaardigen, de eerstgeborenen: zij mogen nu in Gods aanwezigheid verkeren.

2. Zevenvoudige structuur in Hebreeën 12:18-21

Voordat ons wordt gezegd, waartoe wij zijn genaderd, legt de Hebreeënbrief eerst uit waartoe de lezer niet is genaderd (Hebreeën 12:18-21):

Want u bent niet genaderd tot

1.-een tastbare (berg) (sommige handschriften hebben berg; vgl. Deut. 4:11)

2.-en een brandend vuur (vgl. Deut. 4:11)

3.-en donkerheid (Ex. 20:21; Deut. 4:11; 5:22)

4.-en duisternis (dzofos; vgl. 2 Petrus 2:4, 17 en Judas 1:6, 13; verder staat dit woord niet in de Bijbel)

5. -en storm (Deut. 4:11; 5:22)

6.-en klank van een bazuin (Ex. 20:18; vgl. Deut. 4:11)

7.-en een geluid van woorden (Deut. 4:12; vergelijk Ex. 24:3, 4) bij het horen waarvan zij verzochten dat hen niet een woord zou worden toegevoegd, want zij verdroegen niet wat zij moesten doen. Zelfs een dier dat de berg aanraakt, zal gestenigd moeten worden. En zo vreeswekkend was hetgeen verscheen, dat zelfs Mozes uitriep: ‘Ik ben zeer bevreesd en bevend’.   

De oorsprong van deze woorden is terug te vinden in Deuteronomium 4:11-12, het verblijf van het volk Israël bij de berg Sinai.

Deuteronomium 4:11-12 volgens de Griekse tekst van de Septuaginta:

11  καὶ προσήλθετε καὶ ἔστητε ὑπὸ τὸ ὄρος, καὶ τὸ ὄρος ἐκαίετο πυρὶ ἕως τοῦ οὐρανοῦ, σκότος, γνόφος, θύελλα, φωνὴ μεγάλη. 12  καὶ ἐλάλησεν κύριος πρὸς ὑμᾶς ἐκ μέσου τοῦ πυρός· φωνὴν ῥημάτων ὑμεῖς ἠκούσατε καὶ ὁμοίωμα οὐκ εἴδετε, ἀλλ᾽ ἢ φωνήν·

Hebreeën 12:18-21 heeft:

18  Οὐ γὰρ προσεληλύθατε ψηλαφωμένῳ καὶ κεκαυμένῳ πυρὶ καὶ γνόφῳ καὶ ζόφῳ καὶ θυέλλῃ

 19  καὶ σάλπιγγος ἤχῳ καὶ φωνῇ ῥημάτων, ἧς οἱ ἀκούσαντες παρῃτήσαντο μὴ προστεθῆναι αὐτοῖς λόγον,

 20  οὐκ ἔφερον γὰρ τὸ διαστελλόμενον· κἂν θηρίον θίγῃ τοῦ ὄρους, λιθοβοληθήσεται·

 21  καί, οὕτως φοβερὸν ἦν τὸ φανταζόμενον, Μωϋσῆς εἶπεν· ἔκφοβός εἰμι καὶ ἔντρομος.’

Vertaling:

Deuteronomium 4:11-12 En u naderde en stond onderaan de berg, en de berg brandde met vuur tot de hemel, duisternis, donkerheid, storm, een groot geluid. 12 En de Heer sprak tot u uit het midden van het vuur; een geluid van woorden hoorde u en een gelijkenis (van God) zag u niet, maar alleen een stem.

Hebreeën 12:18-21 Want u bent niet genaderd tot een tastbare (berg) en een brandend vuur en duisternis en donkerheid en storm en de klank van een bazuin en een geluid van woorden bij het horen waarvan zij verzochten dat hen niet een woord zou worden toegevoegd, want zij verdroegen niet wat zij moesten doen. Zelfs een dier dat de berg aanraakt, zal gestenigd moeten worden. En zo vreeswekkend was hetgeen verscheen, dat zelfs Mozes uitriep: ‘Ik ben zeer bevreesd en bevend’.

In Hebreeën 12:18-21 vinden we wel duidelijk een indeling in zeven delen, maar een verdere structuur lijkt er niet te zijn.

Conclusie:

Zeven drukt volheid uit. De lezer van Hebreeën is nu genaderd tot de volheid van het hemelse Jeruzalem, en niet meer de volheid van eertijds, toen God zich openbaarde op de berg Sinai.

Het meest duidelijk is de zevenvoudige structuur van het werkwoord ‘naderen’, te verdelen in een viertal en een drietal. Als we daarin de 5e en 7e maal dat ‘naderen’ gebruikt wordt, op elkaar mogen betrekken, dan blijkt dat het loon waarvan sprake is, bestaat uit het opgenomen worden in het hemelse Jeruzalem.

Verrassend vond ik dat in de Psalmen van Salomo sprake is van rechtvaardigen en eerstgeborenen en tucht. Het lijkt mij waarschijnlijk dat dit voor de schrijver van de Hebreeënbrief model gestaan heeft voor zijn spreken over rechtvaardigen, eerstgeborenen en tucht.


[1] Krachtige, dubbele ontkenning in het Grieks: ou mè.

[2] Zie J.H. Charlesworth, The Old Testament Pseudepigrapha, U.S.A., 1985, Vol. II, p. 512.

[3] In de Nederlandse vertaling (De apocriefe boeken volgens de oorspronkelijke uitgave van Jacob en Pieter Keur, Kampen, 1979) 3 Makkabeeën 2:21 en zie vers 20.

[4] Nederlandse vertaling: 3 Makkabeeën 6:31.

[5] M. de Goeij,  De Pseudepigrafen, Kampen, geen jaartal, p. 16.

[6] De uitgave van de Griekse tekst van het Nieuwe Testament, Nestle-Aland, 28ste ed.,  noemt al 39 toespelingen.