Abraham, je moet gaan wonen in het land dat Ik zal tonen[1] klinkt het in een kinderlied. Waar ging Abraham wonen? In het land Kanaän. Maar ook daar bleef hij wonen in tenten; ook daar vond hij geen vaste verblijfplaats. In het Nieuwe Testament staat (in de brief aan de Hebreeën) dat zijn verwachting verder ging dan het land Kanaän: hij verwachtte een hemels vaderland en een stad, gebouwd op een stevig fundament, door God zelf ontworpen en gebouwd (zie Hebreeën 11:10, 16).

In het volgende hoofdstuk (Hebreeën 12:22) wordt deze stad genoemd ‘stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem’.[2] Dus daar is Abraham uiteindelijk gekomen: in het hemelse Jeruzalem, de stad van de levende God genoemd, want God zelf woont er, zoals Hij in het oude Israël in de tempel in Jeruzalem woonde. Abraham woont nu bij God.

Verder lezen?

Wat komen we in de Hebreeënbrief nog meer over Abraham te weten?

Het antwoord lezen we in Hebreeën 12:22-24. Daar zegt de schrijver dat voor ons die Jezus Christus kennen, nu niet meer centraal staat de berg Sinaï waar God aan Mozes en aan het volk Israël verscheen. Voor ons, zegt hij, staat een andere berg centraal. Wij

zijn genaderd

-1. tot de berg Sion en tot de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem,

-2. en tot tienduizenden engelen, een feestelijke vergadering

-3. en tot de gemeente van eerstgeborenen die opgeschreven zijn in de hemelen

-4. en tot God, de Rechter van allen,

-5. en tot de geesten van de rechtvaardigen die de voltooiing hebben bereikt,

-6. en tot de middelaar van een nieuw verbond, van Jezus,

-7. en tot het bloed ter besprenkeling (van Jezus), dat meer spreekt dan Abel.

Wie zijn de geesten van de rechtvaardigen die de voltooiing hebben bereikt (zie 5.)?

Dat ontdekken we als we even terugkijken naar Hebreeën 11. Daar worden de geloofsgetuigen uit de tijd van het Oude Testament genoemd, zij die al voor de komst van Jezus uit geloof leefden. Deze opsomming begint met Abel. Door zijn geloof heeft hij een beter offer gebracht dan Kaïn. Door zijn offer werd van hem getuigd dat hij rechtvaardig was (Hebreeën 11:4). En aan het eind van deze rij geloofsgetuigen zegt de schrijver dat zij in hun aardse leven niet hebben verkregen wat hen was beloofd, omdat God iets beters met hen voor had. Zij moesten nog wachten op ons, zegt hij, die de komst van Jezus hebben meegemaakt. Pas door Jezus komen deze oudtestamentische gelovigen tot hun voltooiing (11:40; Grieks: werkwoord teleio-oo).

En in Hebreeën 12:23 wordt gesproken van de geesten van de rechtvaardigen die nu de voltooiing hebben bereikt (Grieks: werkwoord teleio-oo).

Als Abel, de eerste geloofsgetuige, een rechtvaardige was, zijn dan niet al de geloofsgetuigen die verder genoemd worden uit het Oude Testament ook rechtvaardigen? Er staat geesten van de rechtvaardigen: hun lichaam rust in het graf en wacht tot de dag van de opstanding, maar hun ziel, hun geest, leeft bij God. In Hebreeën 11 worden ook Sara en Abraham onder de geloofsgetuigen genoemd. Ook zij zullen behoren tot de geesten van de rechtvaardigen die nu hun voltooiing hebben bereikt.

We komen tot de conclusie dat deze rechtvaardigen die nu hun voltooiing hebben bereikt de gelovigen zijn uit de tijd voor Christus. En ook Sara en Abraham die in hun tijd uit geloof leefden, behoren tot deze rechtvaardigen in het hemelse Jeruzalem.    

Verder lezen? Zie De theoloog: Hebreeën vervolg

[1] Hanna Lam en Wim ter Burg, Alles wordt nieuw, Nijkerk, 1985, p. 74.

[2] De uitgaven van de Griekse tekst (Nestle-Aland, ed. 28) verwijst bij Hebreeën 11:10 naar 12:22. Deze verbinding van 11:10 naar 12:22 kwam bij mij binnen als een verrassing.