Johannes Vermeer, Het meisje met de parel, 1666 (Mauritshuis, Den Haag)

Als je erop let, zijn er meerdere overeenkomsten te vinden tussen het eerste boek van het Nieuwe Testament (het evangelie van Matteüs en het laatste boek (de Openbaring van Johannes).

Parel:

Op maar twee plaatsen in het Nieuwe Testament wordt van een parel gesproken:

Toen hij één parel van grote waarde gevonden had, ging hij heen en verkocht alles wat hij had, en hij kocht hem (Matteüs 13:46 HSV).

En de twaalf poorten waren twaalf parels. Elke poort apart bestond uit één parel, en de straat van de stad was zuiver goud, als doorzichtig glas (Openbaring 21:21 HSV).

Beide keren gaat het om een parel (parels) in verband met het Koninkrijk van God.

De volken brengen hun schatten:

Van de wijzen uit het Oosten lezen we in het begin van Matteüs (2:11):

En komend naar het huis, zagen zij het Kind met Maria, zijn moeder, en (ter aarde) vallend, aanbaden zij Hem, en nadat zij hun schatkisten hadden geopend, brachten zij hem geschenken: goud en wierook en mirre.

En in het slot van het boek Openbaring (21:22-26) lezen we dat de de koningen van de aarde en de volken hun geschenken aan God en het Lam Jezus Christus brengen:

22 En een tempel zag ik in haar niet, want de Here God, de Almachtige, is haar tempel, en het Lam. (…).
24 En de volken zullen bij haar licht wandelen en de koningen der aarde brengen hun heerlijkheid in haar;
25 en haar poorten zullen nooit gesloten worden des daags, want daar zal geen nacht zijn; 26 en de heerlijkheid en de eer der volken zullen in haar gebracht worden.

Wat in het begin van het Nieuwe Testament aanvangt, namelijk dat de volken (de wijzen uit het Oosten) geschenken brengen aan het Kind Jezus, wordt in het slot van het Nieuwe Testament voltooid: koningen en volken brengen hun eer en heerlijkheid, namelijk wat kostbaar is in hun ogen, naar God en het Lam.

De ster:

De wijzen uit het oosten vragen in Jeruzalem (Matteüs 2:2 NBV):

Waar is de pasgeboren koning van de Joden? Wij hebben namelijk zijn ster zien opgaan (…).

En in het slot van de Openbaring van Johannes zegt Jezus (22:16):

Ik ben de telg van David, zijn nakomeling, de stralende morgenster (lett. staat er: Ik ben (…) de ster, de stralende, de vroege; (…).

Mogelijk staat bij beide teksten de woorden van Bileam uit Numeri 24:17 (NBV) op de achtergrond:

Wat ik zie is niet in het heden, wat ik waarneem is niet nabij.

Een ster komt op uit Jakob, een scepter uit Israël.

In het evangelie van Matteüs kondigt een ster de geboorte van Jezus aan. In het boek Openbaring ziet Jezus zichzelf als de vervulling van deze oude profetie.