Het Lam van God in het boek Openbaring

In dit artikel wordt getracht aannemelijk te maken dat het Griekse woord voor ‘lam’ in het boek Openbaring (letterlijk: het verkleinwoord ‘arnion, lammetje’, afgeleid is van ‘arèn, een jong schaap, lam’ en dat dit teruggaat op het paaslam uit Exodus 12.

Voor ‘lam’ wordt in het boek Openbaring in het Grieks het woord ‘arnion’ gebruikt. Dit woord komt er 29x in voor: 28x voor Jezus als het lam (4 x 7). 1x als beschrijving voor het tweede beest. Er wordt gezegd dat het tweede beest horens had ‘gelijkend aan een lam (Openbaring 13:11).’ Jezus als het Lam wordt in Openbaring getekend met zeven horens (5:6).

Het is opvallend dat Johannes Jezus als het Lam van God in het boek Openbaring weergeeft met ‘arnion’, terwijl het evangelie van Johannes ‘amnos’ heeft als het woord ‘lam’. Zo zegt Johannes de Doper: ‘Daar is het lam (amnos) van God, dat de zonde van de wereld wegneemt (1:29). En in 1:36 opnieuw: ‘Daar is het lam (amnos) van God.’  Het evangelie van Johannes kent het woord ‘arnion’ wel. Het wordt namelijk in 21:15 gebruikt door de opgestane Heer, als Hij tegen Petrus zegt: ‘Weid mijn lammeren (arnion).’

Arnion vinden we in de Septuaginta, de Griekse vertaling van het Oude Testament, terug in Psalm 114:4 (LXX 113): ‘Bergen sprongen op als rammen, heuvels huppelden als lammeren (arnion).’ en vers 6: ‘Waarom, bergen, springen jullie op als rammen, huppelen jullie, heuvels, als lammeren (arnion)? En in het boek Psalmen van Salomo dat wel in de Septuaginta, maar niet in onze Bijbel voorkomt, lezen we: ‘Maar God betoonde zich rechtvaardig in zijn gerichten over de volken van de aarde, en de vromen Gods zijn onder hen als onschuldige lammeren (arnion).’[1]

Tenslotte komt arnion tweemaal voor in het boek Jeremia:

11:19 Daarvóór was ik zo argeloos als een lam dat naar de slachtbank wordt geleid. Ik wist niet dat ze tegen mij dit plan hadden gesmeed: ‘Laten wij die boom met al zijn vruchten vellen, hem uit het land der levenden wegkappen, dan wordt zijn naam niet meer genoemd.’ 20 ‘Maar, HEER van de hemelse machten, rechtvaardige rechter, U die hart en nieren doorgrondt, laat mij zien dat U zich op hen wreekt. U leg ik mijn zaak voor.’

In 20:12-13a komt Jeremia hierop terug: ‘HEER van de hemelse machten, die alles rechtvaardig onderzoekt, die hart en nieren doorgrondt, laat mij zien dat U zich op hen wreekt. U leg ik mijn zaak voor. 13 Zing voor de HEER, loof de HEER, want Hij heeft het leven van de arme uit de handen van boosdoeners gered.’

En in Jeremia 50:45 (LXX: 27:45) staat: ‘Luister daarom naar het besluit van de HEER dat Hij over Babel heeft genomen. Hoor wat Hij met Chaldea van plan is. Hij zweert dat zelfs de zwakste schapen worden weggesleurd, op hun weidegronden klinken kreten van verbijstering.’

De Septuagintatekst heeft voor ‘de zwakste schapen’ ‘de lammeren (arnion) van de schapen’.

Het gebruik van ‘arnion’ in Jeremia 11:19 staat in het kader van de roep om vergelding. Dat vinden we helemaal niet terug bij ‘arnion’ in Openbaring. Daarom is het niet aannemelijk dat ‘arnion’ in Openbaring teruggaat op Jeremia 11:19.

Nu gebruikt het boek Openbaring meerdere verkleinwoorden

biblion: letterlijk boekje, in plaats van bublos

thèrion: letterlijk beestje, in plaats van thèr

arnion: letterlijk lammetje in plaats van arèn.

Wellicht moeten we de herkomst van ‘arnion’ in Openbaring niet zoeken in ‘arnion’ in het Oude Testament, maar in het oorspronkelijke ‘arèn’. Dat arnion het verkleinwoord is van arèn werd overigens bij het schrijven van het boek Openbaring niet meer zo gevoeld.[2]

In Exodus 12:4-5 krijgt Israël, nog in Egypte, de opdracht: ‘Op de tiende van deze maand moet elke familie een lam of een bokje (Grieks: probaton) uitkiezen, elk gezin één.’ (…). 5 ‘Het mag het jong van een schaap zijn (Gr. arèn) of het jong van een geit, als het maar een mannelijk (arsèn) dier (Gr. probaton) van één jaar oud is zonder enig gebrek. 6 Houd dat apart tot de veertiende van deze maand; die dag moet de voltallige gemeenschap van Israël de dieren in de avondschemer slachten (Gr. sfadzoo).’

Letterlijk heeft de Griekse tekst: ‘van de lammeren (arèn) of van de jonge geiten zult u het nemen’. Het lam zelf dat voor het Pascha wordt gebruikt, wordt in de Griekse tekst van Exodus 12:5 probaton, schaap genoemd; het wordt wel van de lammeren (arèn) genomen: het is dus ook zelf een arèn.

In Openbaring lezen we van het Lam (arnion):

5:6 Toen zag ik midden voor de troon een lam staan, (…). Het zag eruit als een lam dat geslacht was (…).

Als het Lam de boekrol in ontvangst heeft genomen, zingen de oudsten: ‘Want U bent geslacht en met uw bloed hebt U voor God mensen gekocht uit alle landen en volken, (…) (5:7).’

Daarna zeggen de engelen: ‘Het lam dat geslacht is, komt alle macht, rijkdom en wijsheid toe, (…) (5:12).’ Hier is driemaal een verband tussen het lam en het geslacht worden (sfadzoo, slachten). Dit werkwoord sfa-dzoo kwamen we ook tegen in Exodus 12:6 in verband met het slachten van het paaslam.

De uittocht uit Egypte als kader in het boek Openbaring

Het beeld van de uittocht (uit Egypte) op weg naar het beloofde land, komen we ook in het boek Openbaring tegen:

Zo zegt het lied van Mozes, waarin Mozes met de Israëlieten de grootheid van God bezingt na de doortocht door de Rietzee (Exodus 15:11) :

Wie onder de goden is uw gelijke, Heer?

Wie is uw gelijke, zo ontzagwekkend en heilig?

De Griekse tekst heeft:

Wie gelijk (tis homoios) aan U onder de goden, Heer?

Wie gelijk (tis homoios) aan U, verheerlijkt wordend onder de heiligen?

In Openbaring 13 zeggen de mensen vol bewondering van het beest: Wie is gelijk (tis homoios) aan het beest? Dit lijkt een toespeling op Exodus 15:11 te zijn.

In Openbaring 14:1 staat het Lam op de berg (oros) Sion, samen met 144.000 die Hem volgen.

In het lied van Mozes lezen wij (Exodus 15:17):

U brengt hen naar de berg (oros) die uw domein is, HEER, en daar zult U hen planten, op de plaats die U tot woning hebt gemaakt, het heiligdom, Heer, door U gebouwd.

En in Openbaring 21:10 is sprake van een heel hoge berg waarop de heilige stad neerdaalt, waar God woont, maar niet meer in een tempel (21:22).

We lezen in Openbaring van een draak die de vrouw in barensnood bedreigt (12:1-5). In Jesaja 27:1 vinden we ook het beeld van de draak. Daar staat: ‘Op die dag zal de HEER ingrijpen: Hij trekt zijn groot en machtig zwaard tegen Leviathan, de snelle, kronkelende slang, en Hij zal Leviatan doden, het monster in de zee.’ De Griekse tekst heeft: ‘Op die dag zal de Heer het heilige en grote en krachtige zwaard brengen op de draak, de vluchtende slang, op de draak, de kronkelende slang en Hij zal de draak doden.’ Nu heeft het beeld van de draak in Openbaring een bredere achtergrond dan alleen de Farao van Egypte. Maar ons inziens klinkt dit Jesaja 27:1 wel mee. (In Op. 12:9 en 20:2 is ook sprake van zowel draak als slang evenals in Jes. 27:1.)

Ook dat de vrouw vlucht voor de draak naar de woestijn, kan zijn achtergrond vinden in de woestijnreis van het volk Israël op weg naar het beloofde land.

Verder laten we zeven plagen in Openbaring 16 parallellen zien met de tien plagen over Egypte: vergelijk de eerste plaag in Openbaring 16:2 met de kwaadaardige en pijnlijke zweren (Exodus 9:9); tweede en derde plaag (16:3, 4): water als bloed  met Exodus 7:20; de vijfde plaag (16:10): duisternis met Exodus 10:22. Deze voorbeelden zouden met andere uit te breiden zijn.

Conclusie:

Onze conclusie: Het boek Openbaring vertoont meerdere parallellen met de uittocht van het volk Israël uit Egypte op weg naar het beloofde land. In dat kader past het beeld van Jezus als het Paaslam.


[1] M. de Goeij, De Pseudepigrafen, Kampen, 1980.

[2] Zie woordenboek BDAG bij arnion.