Wie zijn de 24 oudsten?

Johannes ziet door een geopende deur in de hemel (4:4):  ‘En rondom de troon 24 tronen, en op de tronen 24 oudsten gezeten, gehuld in witte klederen en op hun hoofden gouden kronen.’

Het valt op dat zij op tronen (Grieks: thronos) zitten, gehuld (periballoo) zijn in witte (leukos) klederen (himation) en op het hoofd een gouden kroon (stefanos) dragen.

In de hieraan voorafgaande zevende brief (aan de gemeente in Laodicea) wordt ook over het zitten op een troon gesproken, want daar zegt de opgestane Heer (3:21): ‘Wie overwint, hem zal Ik geven met Mij te zitten in mijn troon (thronos), (…).’

In de zesde brief zegt Hij (3:11): ‘(…); houd vast wat u hebt opdat niemand uw overwinningskrans (Grieks: stefanos, overwinningskrans of kroon) neme.’

En in de vijfde brief (3:5): ‘Wie overwint zal bekleed worden (periballoo) met witte (leukos) klederen (himation) (…).’

Dus, wat aan de kerken wordt beloofd als zij overwinnen, is aan de 24 oudsten al gebeurd, zij het dat zij niet met de opgestane Heer op zijn troon zitten, maar op eigen tronen.

Lange tijd heb ik gedacht dat met de 24 oudsten hoofden van engelen zijn bedoeld. Johannes mag hier een kijkje nemen in de hemelse tempel die tegelijk een hemels paleis is. In de aardse tempel zijn door koning David 24 priesterorden ingesteld (1 Kronieken 24:19) en zo zouden er, in een hemelse voorafbeelding, 24 engelafdelingen in de hemelse tempel kunnen zijn. Maar hier staat dat de 24 oudsten bekleed zijn met witte klederen, precies zoals is beloofd aan de christenen die overwinnen. Geen kleding die zij van nature dragen, maar die zij als een geschenk ontvangen hebben.[1] Hetzelfde geldt voor hun kroon, een stefanos in het Grieks, een woord dat kroon kan betekenen, maar ook overwinningskrans zoals die in de Griekse cultuur werden uitgereikt aan overwinnaars bij de spelen. En van engelen lezen we in de Bijbel dat ze voor God en zijn troon staan. Zo worden in 8:1 aan zeven engelen die voor God staan zeven bazuinen gegeven.  

Eyeopener

Voor mij was een eyeopener dat de geloofshelden uit het Oude Testament in Hebreeën 11:2 ook oudsten (Grieks: presbuteros, hetzelfde Griekse woord in Openbaring 4:4) worden genoemd.[2] In Exodus 19:6 belooft God aan het volk Israël dat zij voor Hem een koninkrijk van priesters zullen zijn. De Griekse vertaling geeft dit weer met een koninklijk priesterschap. Na de zonde met het gouden kalf ging dit niet door en kreeg alleen Aäron uit de stam Levi en zijn nageslacht het priesterschap. Vinden we dan hier in het boek Openbaring toch de vervulling van de belofte uit Exodus 19:6 in deze oudsten die koningen en priesters zijn?

Johannes spreekt een van hen aan als ‘mijn heer (kurie mou; 7:14). Deze uitdrukking komt 30x voor in het Oude Testament; in het Nieuwe Testament alleen in onze tekst, Openbaring 7:14. In Richteren 4:18 spreekt Jaël de legeroverste Sisera aan met ‘mijn heer’. In Richteren 6:13 spreekt Gideon de engel van de Heer die hem verschijnt aan met deze woorden. In 1 Samuël 25:24 richt Abigaïl zich zo tot David die op dat moment leider van een rondtrekkende bende is. In 2 Samuël 14:9 richt een Tekoïtische vrouw tot koning David met de woorden: mijn heer, de koning (Grieks: kurie mou, basileu). 1 Koningen 18:7 Obadja spreekt op deze wijze Elia aan. In het apocriefe boek Judit 11:17 is dit de aanspraak van Judit naar Holofernes toe. Meermalen wordt gezegd dat Zacharia de aanspreektitel mijn heer gebruikt voor een engel (Zacharia 1:9; het Grieks heeft alleen heer, kurie), maar in het Oude Testament blijkt deze aanspraak toch ook regelmatig tot mensen te worden gebruikt.

Deze oudsten zingen ook (een nieuw lied; 5:6) en vallen voor het Lam neer (5:8). Dit neervallen voor de troon van God lezen we ook van de vier levende wezens voor de troon, maar niet van de engelen. Ook lezen we nergens in de Bijbel van engelen die zingen. In de Kerstnacht looft een engelenleger God met ‘Ere zij God in de hoge (..)’, maar er staat niet bij dat zij dit zongen. De oudsten zitten op tronen als koningen, maar in 5:8 brengen zij als priesters de gebeden van de heiligen bij God.

Conclusie

Onze conclusie: het gaat hier, evenals in Hebreeën 11:2, gaat om vertegenwoordigers van de gelovigen, de heiligen, uit het Oude Testament.


[1] In Openbaring 15:6 lezen we van zeven engelen die uit de hemelse tempel komen dat zij zijn gekleed in zuiver, stralend linnen. Voor gekleed wordt in het Grieks hier niet het werkwoord periballoo, omhullen, maar enduoo, kleden, gebruikt. Periballoo kan betekenen iemand kleden, enduoo ook zich bekleden met.  

[2] Zie H.R. van de Kamp, Openbaring, Kampen, 2000, p. 168.