Johannes ziet door een deur in de hemel: Iemand zit op de troon met een boekrol in de rechterhand. Deze boekrol is met zeven zegels verzegeld en niemand in de hemel, op aarde en onder de aarde (het dodenrijk) blijkt bevoegd de zegels te verbreken en de boekrol te openen. Johannes barst hierop in tranen uit, maar dan zegt één van de oudsten tegen hem (5:5):

Ween niet, zie, de leeuw, die uit de stam Juda is, de afstammeling van David heeft overwonnen om de boekrol en zijn zeven zegels te openen.

Wie is de Leeuw uit Juda?

Als vader Jakob zijn zonen zegent op zijn sterfbed, zegt hij tot zijn zoon Juda (Genesis 49:8-10):

9 Een leeuwewelp is Juda; na de roof zijt gij omhoog geklommen, mijn zoon; hij kromt zich, legt zich neder als een leeuw of als een leeuwin; wie durft hem opjagen? 10 De scepter zal van Juda niet wijken, noch de heersersstaf tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en hem zullen de volken gehoorzaam zijn.

Jezus is, wat betreft zijn geboorte uit de maagd Maria, afkomstig uit het nageslacht van Juda.

Wij verwachten dat Johannes dan iemand in de gedaante of in de kracht van een leeuw zal zien. Maar hij schrijft (5:6):

En ik zag in het midden van de troon en van de vier levende wezens en in het midden van de vierentwintig oudsten een lam, staand als geslacht, hebbend zeven horens en zeven ogen, welke de Zeven Geesten van God zijn, gezonden naar de hele aarde.

Een anticlimax: de leeuw uit Juda verschijnt hier als een lam! Deze leeuw heeft overwonnen niet door geweldige kracht, maar door zich prijs te geven als een lam dat zich naar de slachtbank laat leiden.

Hij vervult zo de woorden, gesproken door de profeet Jesaja (53:5-7 NBG ’51):

5 Maar om onze overtredingen werd hij doorboord, om onze ongerechtigheden verbrijzeld; de straf die ons de vrede aanbrengt, was op hem, en door zijn striemen is ons genezing geworden. 6 Wij allen dwaalden als schapen, wij wendden ons ieder naar zijn eigen weg, maar de HERE heeft ons aller ongerechtigheid op hem doen neerkomen. 7 Hij werd mishandeld, maar hij liet zich verdrukken en deed zijn mond niet open; als een lam dat ter slachting geleid wordt, en als een schaap dat stom is voor zijn scheerders, zo deed hij zijn mond niet open.