(Eigen vertaling, zo dicht mogelijk bij de oorspronkelijke Griekse tekst)

Inleiding op de brief

1:1 Openbaring van Jezus Christus die God Hem gegeven heeft om zijn dienstknechten te tonen wat moet gebeuren met spoed[1], en Hij heeft die bekend gemaakt[2] door middel van het zenden van zijn engel aan zijn dienstknecht Johannes,  2 die heeft getuigd het woord van God en het getuigenis van Jezus Christus, alles wat hij heeft gezien. 3 Zalig wie[3] voorleest en wie[4] de woorden van de profetie horen en wat hierin[5] beschreven is, in acht nemen, want de tijd is nabij.

Opening van de brief

4 Johannes aan de zeven kerken die in Asia zijn.

Groet aan de lezers namens de drie-enige God

Genade voor u en vrede van Hem, die is en die was en die komt en van de Zeven Geesten die voor zijn troon zijn 5 en van Jezus Christus, de trouwe Getuige, de Eerstopgewekte[6] van de doden en het Hoofd[7] van de koningen van de aarde.

Lofprijzing op Laatstgenoemde, op Jezus

Aan Hem die ons liefheeft en ons heeft losgemaakt uit onze zonden door zijn bloed – 6 en Hij heeft ons tot een koninkrijk gemaakt, priesters voor zijn God en Vader – aan Hem de heerlijkheid en de heerschappij tot in alle eeuwigheden. Amen.

7 Zie, Hij komt met de wolken, en elk oog zal Hem zien, en wie Hem hebben doorstoken en alle stammen van het land zullen over Hem rouwen.[8] Ja, amen.

God zelf bevestigt wat Johannes in de groet aan de gemeenten schreef

8 ‘Ik ben de Alfa en de O(mega)[9],

zegt God, de Heer,

‘Die is en die was en die komt, de Almachtige.’

Johannes krijgt opdracht om te schrijven

9 Ik, Johannes, uw broeder en deelgenoot in de verdrukking en in het koninkrijk en in de volharding in Jezus, kwam op het eiland, genaamd Patmos, omwille van het Woord van God en het getuigenis van Jezus. 10 Ik geraakte in de geest op de dag van de Heer en ik hoorde achter mij een luide stem als die van een bazuin, 11 zeggend:

‘Schrijf wat u ziet[10] in een boek en zend aan de zeven kerken, naar Efeze en naar Smyrna en naar Pergamum en naar Tyatira en naar Sardes en naar Filadelfia en naar Laodicea.’

12 En ik keerde mij om, om de stem te zien die met mij sprak, en toen ik mij omkeerde zag ik zeven gouden kandelaren 13 en in het midden van de kandelaren

-iemand die leek op een mensenzoon, bekleed met een tot de voeten reikend gewaad en bij de borst omgord met een gouden gordel.

-14 Zijn hoofd dan en de haren wit als witte wol, als sneeuw

-en zijn ogen als een vuurvlam

-15 en zijn voeten lijkend op blinkend koper[11] als in een oven witgloeiend gemaakt

-en zijn stem als een geluid van vele wateren,

16 en hebbend in zijn rechterhand zeven sterren

en komend uit zijn mond een tweesnijdend scherp zwaard

-en zijn verschijning[12] als de zon schijnt in haar kracht.

17 En toen ik Hem zag, viel ik als dood voor zijn voeten, maar Hij legde zijn rechterhand op mij en zei:

‘Wees niet bevreesd, Ik ben de Eerste en de Laatste 18 en de Levende, en Ik was dood, maar zie, Ik ben levend tot in alle eeuwigheden en Ik heb de sleutels van de dood en het dodenrijk.

19 Schrijf dan wat u zag en wat is en wat hierna zal gebeuren. 20 De verborgenheid van de zeven sterren die u zag op mijn rechterhand en de zeven gouden kandelaren: de zeven sterren zijn boden[13] van de zeven gemeenten en de zeven kandelaren zijn de zeven gemeenten.  

De eerste drie brieven, eindigend op ‘Wie overwint’

Boodschap voor Efeze

2:1 Schrijf aan de bode van de kerk in Efeze.

Dit zegt Hij die de zeven sterren in zijn rechterhand vasthoudt, die wandelt in het midden van de zeven gouden kandelaren: 2 Ik ken uw werken en moeite en uw volharding en dat u geen kwaadwilligen kunt verdragen en u hebt hen op de proef gesteld die van zichzelf zeggen dat zij apostelen zijn en zij zijn het niet en u hebt hen leugenachtig bevonden 3 en u hebt volharding en u hebt verdragen omwille van mijn naam en u bent niet moe geworden. 4 Maar Ik heb tegen u dat u uw eerste liefde hebt verlaten. 5 Bedenk dan waarvandaan u bent gevallen en kom tot inkeer en doe de eerste werken. Maar indien niet, dan kom Ik naar u toe en Ik zal uw kandelaar uit zijn plaats wegnemen als u zich niet bekeert. 6 Maar dit hebt u voor dat u de werken van de Nikolaïeten haat die ook Ik haat.

7 Wie oren heeft, laat hij horen wat de Geest tot de kerken zegt.

Wie overwint, hem zal Ik te eten geven van de levensboom die in het paradijs van God is.

Boodschap voor Smyrna

8 En schrijf aan de bode van de kerk in Smyrna.

Dit zegt de Eerste en de Laatste, die een dode werd en tot leven kwam: 9 Ik ken uw verdrukking en armoede – maar u bent rijk – en de lastering uit het midden van hen die van zichzelf zeggen dat ze Joden zijn. Dat zijn ze niet, maar een synagoge van de satan. 10 Vrees niet wat u zult lijden. Zie, de duivel zal sommigen uit uw midden in de gevangenis werpen opdat u beproefd wordt en u zult een beproeving hebben van tien dagen. Wees trouw tot de dood en Ik zal u de overwinningskrans tot leven geven.

11 Wie oren heeft, laat hij horen wat de Geest tot de kerken zegt.

Wie overwint zal zeker niet hebben te lijden van de tweede dood.

Boodschap voor Pergamum

12 En schrijf aan de bode van de kerk in Pergamum.

Dit zegt Hij die het tweesnijdende, scherpe zwaard heeft: 13 Ik weet waar u woont, waar de troon van de satan is, maar u houdt mijn naam vast en u hebt het geloof in Mij niet verloochend, ook niet in de dagen van Antipas, mijn getuige, mijn getrouwe, die gedood werd bij u, waar de satan woont. 14 Maar Ik heb enkele dingen tegen u, dat u daar duldt hen die aan het onderwijs van Bileam vasthouden die Balak leerde een valstrik te zetten voor de zonen van Israël om aan afgoden gewijde offers te eten en hoererij te bedrijven. Zo duldt ook u hen die op soortgelijke wijze vasthouden aan het onderwijs van de Nikolaïeten. 16 Kom dan tot omkeer; maar indien niet, dan kom Ik snel tot u en zal Ik met hen strijden met het zwaard van mijn mond.

17 Wie oren heeft, laat hij horen wat de Geest tot de kerken zegt.

Voor wie overwint: hem zal Ik geven van het verborgen manna en Ik zal hem een witte kiezelsteen geven en op de steen een nieuwe naam geschreven die niemand weet, behalve die hem ontvangt.

De laatste vier brieven, eindigend met ‘Wie oren heeft’

Boodschap voor Tyatira

18 En schrijf aan de bode van de kerk in Tyatira.

Dit zegt de Zoon van God die zijn ogen heeft als een vuurvlam en zijn voeten lijkend op koperbrons: 19 Ik ken uw werken en liefde en geloof en dienstbaarheid en uw volharding en uw laatste werken zijn meer dan de eerste. 20 Maar Ik heb tegen u dat u de vrouw Izebel toestaat die van zichzelf zegt dat zij een profetes is en zij onderwijst en verleidt mijn dienstknechten hoererij te bedrijven en afgodenoffers te eten. 21 En Ik heb haar tijd gegeven opdat zij zich omkeert, maar zij wil zich niet omkeren van haar hoererij. Zie, Ik werp haar tot het ziekbed en degenen die overspel met haar hebben gepleegd, breng Ik in grote verdrukking, als zij zich niet afkeren van haar werken. 23 en haar kinderen zal Ik doden door de pest[14]. En alle kerken zullen weten dat Ik het ben die nieren en harten onderzoek, en Ik zal u geven, ieder naar uw werken. 24 Maar Ik zeg u, de overigen die in Tyatira zijn, die deze leer niet aanhangen, die de diepten van de satan niet leerden kennen, zoals zij zeggen: geen andere last leg[15] Ik op u 25 behalve dat u vasthoudt wat u hebt, totdat Ik zal komen.

26 En wie overwint en mijn werken in acht neemt tot het einde toe bewaart, Hem zal Ik gezag geven over de volken 27 en hij zal hen weiden met een ijzeren scepter – als pottenbakkerskruiken breken ze in stukken – 28 zoals Ik ook van mijn Vader heb ontvangen, en Ik zal hem de morgenster geven.

29 Wie oren heeft, laat hij horen wat de Geest tot de kerken zegt.

Boodschap voor Sardes

3:1 En schrijf aan de bode van de kerk in Sardes.

Dit zegt Hij die de Zeven Geesten van God heeft en de zeven sterren: Ik ken uw werken. Dat u de naam hebt dat u leeft. Maar u bent dood. 2 Wordt waakzaam en versterk het overige wat zou sterven, want Ik heb uw werken niet vol bevonden voor mijn God. 3 Bedenk dan hoe u hebt ontvangen en hebt gehoord en neem het in acht en keer u om. Als u niet waakzaam bent, zal Ik komen als een dief, en u weet beslist niet welk uur Ik tot u zal komen. 4 Maar u hebt enkele personen in Sardes die hun kleren niet hebben bezoedeld en zij zullen met Mij in witte kleren wandelen, want zij zijn het waard.

5 Wie overwint zal bekleed worden met witte klederen en Ik zal zijn naam zeker niet uitwissen uit het levensboek en Ik zal zijn naam belijden voor mijn Vader en voor zijn engelen.

6 Wie oren heeft, laat hij horen wat de Geest tot de kerken zegt.

Boodschap voor Filadelfia

7 En schrijf aan de bode van de kerk in Filadelfia.

Dit zegt de Heilige, de Waarachtige, die de sleutel van David heeft, die opent en niemand zal sluiten en die sluit en niemand opent: 8 Ik ken uw werken, zie Ik heb voor u een geopende deur gegeven die niemand kan sluiten, want u hebt kleine kracht en u nam mijn woord in acht en u verloochende mijn naam niet. 9 Zie, Ik geef personen uit de synagoge van de satan, hen die van zichzelf zeggen dat zij Joden zijn, en dat niet zijn, maar liegen. Zie, Ik zal maken dat zij zullen komen en zullen aanbidden voor uw voeten en zij erkennen dat Ik u heb liefgehad. 10 Want u bewaarde mijn woord[16] om te volharden, en Ik zal u bewaren in[17] het uur van verzoeking dat over de hele bewoonde wereld zal komen om hen die op de aarde[18] wonen te verzoeken. 11 Ik kom snel; houd vast wat u hebt opdat niemand uw overwinningskrans neme.

12 Wie overwint, hem zal Ik een zuil maken in de tempel van mijn God en hij zal er zeker niet uitgaan naar buiten toe en Ik zal op hem schrijven de naam van mijn God en de naam van de stad van mijn God, het nieuwe Jeruzalem dat neerdaalt uit de hemel van mijn God, en mijn nieuwe naam.

13 Wie oren heeft, laat hij horen wat de Geest tot de kerken zegt.

Boodschap voor Laodicea

14 En schrijf aan de bode van de kerk in Laodicea.

Dit zegt de Amen[19], de getrouwe en waarachtige Getuige, het Begin[20] van Gods schepping: Ik ken uw werken dat u koud noch heet bent. Was u maar koud of heet. 16 Want nu u lauw bent en noch heet, zal Ik u uit mijn mond spuwen. 17 Want u zegt: ‘Ik ben rijk en ik ben rijk geworden en ik heb niets nodig’, maar u weet niet dat u bent de ellendige[21] en beklagenswaardige[22] en arm en blind en naakt. 18 Ik geef u de raad van Mij te kopen goud dat in het vuur gelouterd is, opdat u rijk wordt, en witte kleren, opdat u die aantrekt en de schande van uw naaktheid niet openbaar wordt en oogzalf om op uw ogen te smeren, opdat u weer ziet. 19 Wie Ik liefheb, berisp Ik en breng Ik in het gareel[23]; wees dan ijverig en keer u om. 20 Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop; als iemand mijn stem hoort en de deur opent, zal Ik tot hem komen en maaltijd met hem houden en hij met Mij.

21 Wie overwint, hem zal Ik geven met Mij te zitten in mijn troon, zoals ook Ik overwon en Mij zette met mijn Vader op zijn troon.

22 Wie oren heeft laat hij horen wat de Geest tot de kerken zegt.

Johannes ziet een troon in de hemel en de hemelse eredienst

4:1 Hierna zag ik, en zie, een deur geopend in de hemel, en de eerste stem die ik had gehoord als een bazuin met mij sprekend, zeggend:

‘Klim hierheen op, en ik zal u tonen wat hierna moet gebeuren.’

2 Onmiddellijk geraakte ik in de geest[24], en zie een troon stond in de hemel, en op de troon Iemand gezeten 3 en de Gezetene was van aanzien als de diamant en sardius, en een regenboog was rondom de troon, van aanzien als van smaragd. 4 En rondom de troon 24 tronen, en op de tronen 24 oudsten gezeten, gehuld in witte klederen en op hun hoofden gouden kronen. 5 En vanuit de troon komen bliksemstralen en stemmen en donderslagen, en zeven toortsen[25], brandend van vuur, voor de troon, die de Zeven Geesten van God zijn, 6 en voor de troon als een zee van glas, lijkend op kristal. En in het midden van[26] de troon en rondom de troon vier levende wezens, vol ogen aan de voor- en achterzijde. 7 En het eerste levende wezen was als een leeuw en het tweede levende wezen als een rund en het derde wezen had een gelaat als een mens en het vierde levende wezen leek op een vliegende arend. 8 En de vier levende wezens hebben elk, één voor één, zes vleugels, rondom en aan de binnenzijde vol ogen en zij hebben dag en nacht geen rust, zeggend:

‘Heilig, heilig, heilig is God, de Heer, de Almachtige, Die was en die is en die komt.’

9 En wanneer de levende wezens heerlijkheid en eer en dank zullen brengen aan de Gezetene op de troon, die leeft tot de eeuwen der eeuwen, 10 zullen de 24 oudsten neervallen voor de Gezetene op de troon en zij zullen Hem aanbidden die leeft tot de eeuwen der eeuwen, en zij zullen hun kronen voor de troon werpen, zeggend: 11

‘U hebt het recht, onze Heer en God, om de heerlijkheid en de eer en de macht te ontvangen, want U hebt alle dingen geschapen en door uw wil waren zij en werden ze geschapen.’

Het Lam voor de troon ontvangt de boekrol van God

5:1 En ik zag op de rechterhand van de op de troon Gezetene een boekrol, beschreven aan de binnen- en achterzijde, verzegeld met zeven zegels. 2 En ik zag een sterke engel die met luide stem uitriep:

‘Wie heeft het recht om de boekrol te openen en zijn zegels los te maken?’

3 En niemand in de hemel, noch op de aarde, noch onder de aarde had het recht de boekrol te openen of deze in te zien. 4 En ik weende zeer, omdat niemand waardig was bevonden de boekrol te openen, noch deze in te zien. 5 Maar één uit de oudsten zegt mij:

‘Ween niet, zie, de leeuw, die uit de stam Juda is, de afstammeling van David [27], heeft overwonnen om de boekrol en zijn zeven zegels te openen.’

 6 En ik zag in het midden van de troon en van de vier levende wezens en in het midden van de vierentwintig oudsten een lam, staand als geslacht, hebbend zeven horens en zeven ogen, welke de Zeven Geesten van God zijn, gezonden naar de hele aarde. 7 En het kwam en heeft ontvangen uit de rechterhand van Hem die gezeten is op de troon.

8 En toen het de boekrol ontving, vielen de 4 levende wezens en de 24 oudsten voor het Lam neer, hebbend ieder[28] een citer en gouden schalen vol reukwerk; dat zijn de gebeden van de heiligen. 9 En zij zingen een nieuw lied, zeggend:

‘U bent het waard om de boekrol te ontvangen en zijn zegels te verbreken, want U bent geslacht en hebt hen voor God gekocht met uw bloed uit alle stam en taal en volk en natie 10 en U hebt hen voor onze God tot een koninkrijk en tot priesters gemaakt, en zij zullen als koning heersen over de aarde.’

11 En ik zag en ik hoorde een geluid van vele engelen rondom de troon en van de levende wezens en van de oudsten en hun aantal was tienduizenden tienduizendtallen en duizenden duizendtallen, 12 zeggend met luide stem:

‘Het Lam dat geslacht is, is het waard om te ontvangen de macht en rijkdom en wijsheid en kracht en eer en heerlijkheid en lof.

13 En alle schepsel dat in de hemel is en op de aarde en onder de aarde en op de zee en alles wat in hen was, hoorde ik zeggen:

‘Aan de op de troon Gezetene en het Lam de lof en de eer en de heerlijkheid en het gezag tot de eeuwen der eeuwen[29].’

14 En de vier levende wezens zeiden:

‘Amen’.

En de oudsten vielen neer en aanbaden.

Het Lam verbreekt de eerste vier zegels van de boekrol

6:1 En ik zag toe, toen het Lam één van de zeven zegels verbrak, en ik hoorde één van de vier levende wezens, sprekend met een stem als van een donderslag:

‘Kom’.

2 En ik zag, en zie een wit paard en die erop gezeten was, hebbend een boog, en hem werd een overwinningskrans gegeven, en hij kwam naar buiten, overwinnend en opdat hij zou overwinnen.

3 En toen Hij het tweede zegel verbrak, hoorde ik het tweede levende wezen zeggend:

‘Kom’.

En een ander, vuurrood, paard kwam naar buiten, en aan hem die erop gezeten was, werd gegeven de vrede van de aarde weg te nemen, en dat ze elkaars bloed zouden vergieten en hem werd een groot zwaard gegeven.

5 En toen hij het derde zegel verbrak, hoorde ik het derde levende wezen zeggend:

‘Kom’.

En ik zag, en zie een zwart paard en die erop gezeten was, had een weegschaal in zijn hand. 6 En ik hoorde wat leek op een stem in het midden van de vier levende wezens zeggend:

‘Een korenmaat tarwe voor een denarius en drie maten gerst voor een denarius en beschadig de olijfolie en de wijn niet.’

7 En toen Hij het vierde zegel verbrak, hoorde ik de stem van het vierde levende wezen zeggend:

‘Kom’.

En zie, een groen paard, en die er bovenop gezeten was, droeg de naam ‘dood’ en het dodenrijk ging met hem mee.

En hen werd bevoegdheid over het vierde deel van de aarde gegeven, om te doden door het zwaard en door de honger en door de pest en door de wilde dieren van de aarde.

Het Lam verbreekt het vijfde zegel

9 En toen Hij het vijfde zegel verbrak, zag ik aan de voet van[30] het altaar de zielen van hen wier bloed vergoten was omwille van het woord van God en omwille van het getuigenis dat zij hadden. 10 En zij schreeuwden met luide stem, zeggend:

‘Tot hoelang, heilige en waarachtige Gebieder, oordeelt U niet en eist U ons bloed niet van hen die op de aarde wonen?’

11 En aan ieder van hen werd een wit gewaad gegeven en hen werd gezegd dat zij nog een korte tijd zouden rusten totdat hun mededienstknechten en hun broeders die gedood zullen worden zoals zij, het aantal compleet gemaakt zullen hebben.                                                                                                                                                                                            

Het Lam verbreekt het zesde zegel

12 En ik zag toe, toen Hij het zesde zegel verbrak. En er kwam een grote aardbeving en de zon werd zwart als een haren zak en de maan werd geheel als bloed 13 en de sterren van de hemel vielen op de aarde, zoals een vijgenboom, door een hevige wind geschud, haar wintervijgen afwerpt. 14 En de hemel week terug als een boekrol die wordt opgerold, en elke berg en elk eiland werd van zijn plaats gerukt. 15 En de koningen van de aarde en de hoogwaardigheidsbekleders en de oversten over duizend en de rijken en de krachtigen en iedere slaaf en vrije verborgen zichzelf in de spelonken en bergrotsen 16 en zeggen tot de bergen en rotsen:

‘Val op ons en verberg ons voor het aangezicht van de op de troon Gezetene en voor de toorn van het Lam, 17 want de grote dag van hun toorn is gekomen en wie kan zich staande houden?’

Een engel verzegelt 144.000 knechten van God uit de stammen van Israël

7:1 Hierna zag ik vier engelen, staande op de vier hoeken van de aarde, terwijl ze de vier winden van de aarde vasthielden, opdat er geen wind zou waaien, noch over de aarde, noch over de zee, noch over enige boom. 2 En ik zag een andere engel, opkomend van waar de zon opkomt, hebbend het zegel van de levende God en hij schreeuwde met luide stem tot de vier engelen aan wie gegeven werd de aarde en de zee schade toe te brengen, 3 zeggend ‘Breng geen schade toe aan de aarde, noch aan de zee, noch aan de bomen, totdat wij de dienstknechten van onze God op hun voorhoofd hebben verzegeld. 4 En ik hoorde aantal verzegelden, 144.000 verzegelden uit iedere stam van de zonen van Israël; 5 uit de stam Juda 12.000 verzegelden; uit de stam Ruben 12.000; uit de stam Gad 12.000; 6 uit de stam Aser 12.000; uit de stam Naftali 12.000; uit de stam Manasse 12.000; 7 uit de stam Simeon 12.000; uit de stam Levi 12.000; uit de stam Issachar 12.000; 8 uit de stam Zebulon 12.000; uit de stam Jozef 12.000; uit de stam Benjamin 12.000 verzegelden.

Een niet te tellen menigte voor de troon van God en het Lam

9 Hierna zag ik en zie, een talrijke menigte die niemand tellen kon, uit elke natie en uit de stammen en volken en talen, staande voor de troon en voor het Lam, bekleed met witte gewaden en met palmtakken in hun handen, 10 en zij schreeuwden met luide stem, zeggend:

‘De redding is aan onze God die op de troon is gezeten en aan het Lam.’

11 En alle engelen stonden rondom de troon en rondom de oudsten en de vier levende wezens en zij vielen op hun aangezicht voor de troon en aanbaden God, zeggend:

‘Amen, de zegening en de lof en de wijsheid en de dankzegging en de eer en de kracht en het gezag zijn aan onze God tot in de eeuwen der eeuwen. Amen.’

13 En één uit de oudsten nam het woord, tot mij zeggend:

‘Deze in witte gewaden gehulden, wie zijn zij en vanwaar zijn zij gekomen?’

14 En ik had hem gezegd:

‘Mijn heer, u weet het.’

En hij zei mij:

‘Dezen zijn zij die komen uit de grote verdrukking en zij hebben hun gewaden gewassen en witgemaakt in het bloed van het Lam. 15 Daarom zijn zij voor de troon van God en dienen zij Hem dag en nacht in zijn tempel. En de op de troon Gezetene zal hen overdekken[31]. 16 En zij zullen niet meer hongeren en niet meer dorst hebben, noch zal de zon op hen branden, noch enige hitte. 17 Want het Lam in het centrum van de troon, zal hen weiden en hen leiden naar waterbronnen van leven, en God zal elke traan uit hun ogen wissen.’

Het zevende zegel: zeven bazuinengelen en gebed van alle heiligen voor Gods troon

8:1 En toen Hij het zevende zegel verbrak, kwam er een stilte in de hemel, ongeveer een half uur lang. 2 En ik zag de zeven engelen die voor God staan, en hen werden zeven bazuinen[32] gegeven. 3 En een andere engel kwam en stond bij[33] het altaar, met een gouden wierookvat, en hem werd veel reukwerk gegeven om het met de gebeden van alle heiligen op het gouden altaar dat voor de troon is, te leggen. 4 En de rook van het reukwerk steeg met de gebeden van de heiligen uit de hand van de engel op voor God. 5 En de engel nam het wierookvat en vulde het met vuur van het altaar en wierp het naar de aarde, en er kwamen donderslagen en stemmen en bliksemstralen en een aardbeving. 6 En de zeven engelen die de zeven bazuinen hebben maakten zich gereed om te bazuinen.

De eerste vier engelen blazen de bazuin

7 En de eerste blies en er kwam hagel en vuur, vermengd met bloed, en het werd geworpen op de aarde, en het derde van de aarde verbrandde en het derde van de bomen verbrandde en al het groene gewas[34] verbrandde.

8 En de tweede engel blies. En wat leek op een grote berg, brandend van vuur, werd naar de zee geworpen, en het derde deel van de zee werd bloed 9 en het derde deel van de schepselen die in de zee waren, waarin leven was[35], stierf en het derde deel van de schepen verging.  

10 En de derde engel blies. En een grote ster viel uit de hemel en zij viel op het derde deel van de rivieren en op de bronnen van de wateren. 11 En de naam van de ster is Alsem, en het derde deel van de wateren werd tot alsem en velen van de mensen stierven vanwege de wateren, want ze waren bitter geworden.

12 En de vierde engel blies. En een derde van de zon werd getroffen en een derde van de maan en een derde van de sterren, opdat een derde van hen verduisterd zou worden en de dag voor een derde deel geen licht zou hebben en de nacht evenzo.

Wee, vanwege de drie nog komende engelen met hun bazuinen

13 En ik zag, en ik hoorde een arend, vliegend in het zenit van de hemel, met luide stem zeggend:

‘Wee, wee, wee hen die op de aarde wonen vanwege de overige bazuinstoten van de drie engelen die zullen blazen.’

De vijfde engel blaast: de eerste wee

9:1 En de vijfde engel blies. En ik zag een ster uit de hemel op de aarde gevallen, en hem de sleutel van de put van de afgrond gegeven en hij opende de put van de afgrond en rook steeg op uit de put als rook van een grote oven, en de zon werd verduisterd en de lucht werd verduisterd vanwege de rook uit de put. 3 En vanuit de rook kwamen sprinkhanen op de aarde en hen werd macht gegeven, zoals de schorpioenen van de aarde macht hebben. 4 En hen werd gezegd dat ze geen schade zouden toebrengen aan het gewas van de aarde, noch aan enig gewas, noch aan enige boom, maar alleen aan de mensen die het zegel van God niet op hun voorhoofd hebben. 5 En hen werd gegeven dat ze hen niet zouden doden, maar dat ze hen vijf maanden zouden pijnigen, en hun pijniging is als de pijniging van een schorpioen, wanneer hij een mens steekt. 6 En in die dagen zullen de mensen de dood zoeken en zij zullen hem zeker niet vinden en zij zullen begeren te sterven, maar de dood vlucht van hen weg.

9:7 En de gedaante van de sprinkhanen was als paarden, uitgerust voor de oorlog, en op hun hoofden iets als overwinningskransen, als van goud, en hun gezichten als de gezichten van mensen, 8 en zij hadden haren als haren van vrouwen, en hun tanden waren als die van leeuwen, 9 en zij droegen een harnas zoals een ijzeren harnas, en het geluid van hun vleugels was als het geluid van strijdwagens, wanneer vele paarden ten oorlog draven, 10 en zij hebben staarten als die van schorpioenen en zij hebben angels, en in hun staarten is hun macht de mensen schade toe te brengen, vijf maanden lang, 11 en zij hebben als koning boven hen de engel van de afgrond; zijn naam is in het Hebreeuws Verderver en in het Grieks heeft hij de naam Verwoester. 12 De eerste wee ging voorbij. Zie, nog twee weeën komen hierna.

De zesde engel blaast: de tweede wee

13 En de zesde engel blies. En ik hoorde een stem uit de vier horens van het gouden altaar dat voor God staat, 14 zeggend tot de zesde engel die een bazuin heeft: ‘Laat de vier engelen los die gebonden zijn bij de grote rivier, de Eufraat. 15 En de vier engelen, die waren gereedgemaakt voor het uur, en de dag en de maand en het jaar om het derde deel van de mensen te doden. werden losgelaten. En het aantal van de soldaten te paard was tweemaal 10.000 10.000-tallen, en ik hoorde hun aantal. 17 En aldus zag ik de paarden in het visioen en degenen die erop gezeten waren, vuurrode, hyacintblauwe en zwavelgele harnassen dragend, en de hoofden van de paarden waren als koppen van leeuwen, en uit hun monden kwamen vuur en rook en zwavel. 18 Door deze drie plagen stierf het derde deel van de mensen, door het vuur en de rook en de zwavel die uit hun monden kwamen. 19 Want de macht van de paarden ligt in hun mond en in hun staarten, want hun staarten zijn als slangen, die koppen hebben en daarmee brengen zij letsel toe.

De reactie van hen die niet gedood waren door de plagen van de zesde bazuin

20 En wie van de mensen waren overgebleven, die door deze plagen niet waren gedood, bekeerden zich niet van de werken van hun handen, om de boze geesten niet te aanbidden en de gouden en zilveren en koperen en stenen en houten beelden, die niet kunnen zien, noch horen, noch lopen, 21 en zij keerden zich niet af van hun moorden, noch van hun toverijen, noch van hun hoererij, noch van hun dieverijen.

Een sterke engel geeft Johannes een kleine boekrol; zeven donderslagen spreken

10:1 En ik zag een andere, sterke, engel, neerdalend uit de hemel, met een wolk bekleed, en de regenboog boven zijn hoofd en zijn gelaat als de zon en zijn voeten als vuurzuilen, 2 en in zijn hand een kleine, geopende boekrol houdend. En hij plaatste zijn rechtervoet op de zee, maar de linker op de aarde, 3 en hij schreeuwde met luide stem, zoals een leeuw brult. En toen hij schreeuwde, spraken de zeven donderslagen met hun eigen stemmen. 4 En toen de zeven donderslagen spraken, zou ik schrijven, maar ik hoorde een stem uit de hemel, zeggend:

‘Verzegel wat de zeven donderslagen spraken en schrijf deze dingen niet op.’

5 En de engel die ik zag, staande op de zee en op de aarde, hief zijn rechterhand naar de hemel 6 en zwoer bij Hem die leeft tot in alle eeuwigheden, die de hemel heeft geschapen en wat daarin is en de aarde en wat daarop is en de zee en wat daarin is:

‘Er zal geen wachttijd meer zijn, 7 maar in de dagen van de bazuinstoot van de zevende engel, wanneer hij zal blazen, is ook vervuld de verborgen raad van God[36], dat Hij als goed nieuws heeft aangekondigd aan zijn eigen dienstknechten, de profeten.’

8 En de stem die ik hoorde uit de hemel, sprak opnieuw met mij en zei:

‘Ga, neem de geopende boekrol in de hand van de engel, die staat op de zee en op aarde.’

9 En ik ging heen naar de engel toe, hem zeggend mij de kleine boekrol te geven. En hij zei tot mij:

‘Neem het en eet het op, en het zal uw buik bitter maken, maar het zal in uw mond zoet zijn als honing.’

10 En ik nam de kleine boekrol uit de hand van de engel en at hem op, en hij was in mijn mond zoet als honing en toen ik hem at, werd mijn buik bitter.

Johannes krijgt een nieuwe opdracht om te profeteren

11 En er werd tot mij gezegd:

‘U moet opnieuw profeteren over volken en naties en talen en vele  koningen.’

De twee getuigen van God in Jeruzalem

11:1 En mij werd een riet gegeven, lijkend op een staf, met de woorden:

‘Sta op en meet de tempel van God en het altaar en degenen die daarin aanbidden.

2 En werp de voorhof die buiten de tempel is, buiten, en meet die niet, want die werd aan de naties gegeven, en zij zullen de heilige stad vertreden, 42 maanden.

3 En Ik zal mijn twee getuigen geven en zij zullen 1260 dagen profeteren, met zakken bekleed.

4 Dezen zijn de twee olijfbomen en de twee kandelaren, die voor de Heer van de aarde staan. 5 En als iemand hen schade wil berokkenen, komt er vuur uit hun mond en het verslindt hun vijanden; en als iemand hen schade wil berokkenen, moet hij zo gedood worden.

6 Dezen hebben de macht de hemel te sluiten, opdat er geen regen valt gedurende de dagen van hun profetie, en zij hebben macht over de wateren om die in bloed te veranderen en de aarde te slaan met elke plaag, zo dikwijls als zij willen.

7 En wanneer zij hun getuigenis hebben voltooid, zal het beest dat opkomt uit de afgrond, oorlog met hen voeren en het zal hen overwinnen en het zal hen doden. 8 En hun lijk op de brede boulevard van de grote stad, die geestelijk genoemd wordt Sodom en Egypte, waar ook hun Heer werd gekruisigd.

9 En zij uit de volken en stammen en talen en naties zien hun lijk drieënhalve dag en zij laten niet toe dat hun lijken in een graf worden gelegd.

10 En zij die op de aarde wonen, verheugen zich over hen en verblijden zich en zenden elkaar geschenken, want deze twee profeten pijnigden de bewoners op de aarde.

11 En na drieënhalve dag ging een Geest van leven uit God in hen en zij gingen op hun voeten staan, en grote vrees viel op hen die hen aanschouwden.

12 En zij hoorden een luide stem uit de hemel, tot hen zeggend:

‘Klim hierheen op.’

En zij klommen op naar de hemel in de wolk, en hun vijanden aanschouwden hen.

13 En op dat uur kwam er een grote aardbeving en het tiende deel van de stad stortte in en 7000 mensen werden gedood door de aardbeving en de overigen werden bevreesd en gaven eer aan de God van de hemel.’  

Aankondiging van de derde wee

14 De tweede wee ging voorbij. Zie, de derde wee komt snel.

De zevende engel blaast

15 En de zevende engel blies. En er kwamen luide stemmen in de hemel, die zeiden:

‘Het koningschap over de wereld is aan onze Heer en zijn Gezalfde gekomen, en Hij zal koning zijn tot in de eeuwen der eeuwen.’

16 En de 24 oudsten die voor God gezeten zijn op hun tronen, vielen neer op hun aangezicht en aanbaden God, 17 zeggend:

‘Wij danken U, God, de Heer, de Almachtige, die is en die was, dat U uw grote macht op U hebt genomen en koning bent geworden. 18 En de naties werden vertoornd, en uw toorn is gekomen en de tijd voor de doden om geoordeeld te worden en om het loon te geven aan uw dienstknechten, de profeten, en aan de heiligen en aan hen die uw naam vrezen, de kleinen en de groten, en om te verderven wie de aarde verderven.’

19 En de tempel van God die in de hemel is, ging open en de ark van zijn verbond verscheen in zijn tempel, en er kwamen bliksemstralen en stemmen en donderslagen en een aardbeving en zware hagel.

De draak die het Kind van de vrouw wilde verslinden, uit de hemel geworpen

12:1 En een groot teken verscheen in de hemel, een vrouw, bekleed met de zon en de maan onder haar voeten en op haar hoofd een kroon van twaalf sterren, 2 en zij is zwanger en schreeuwt, weeën hebbend en gepijnigd wordend, om te baren. 3 En er verscheen een ander teken in de hemel, en zie, een grote vuurrode draak, met zeven koppen en zeven horens en op zijn koppen zeven diademen, 4 en zijn staart sleept het derde deel van de sterren van de hemel mee en hij wierp ze naar de aarde. En de draak stond voor de vrouw die zou baren, opdat wanneer zij haar kind baarde, hij het zou verslinden. 5 En zij baarde een zoon, een mannelijk kind[37], dat alle volken weiden zal met een ijzeren scepter. En haar kind werd weggerukt naar God en naar zijn troon. 6 En de vrouw vluchtte naar de woestijn, waar zij een plek heeft, van Godswege daar bereid, opdat men haar daar zou onderhouden[38], 1260 dagen. 7 En er kwam oorlog in de hemel, Michaël en zijn engelen hadden oorlog te voeren met de draak. En de draak voerde oorlog en zijn engelen, 8 en hij was niet de sterkste en hun plaats werd in de hemel niet meer gevonden. 9 En de grote draak, de oude slang, die genoemd wordt duivel en de satan, die de hele bewoonde wereld verleidt, werd naar de aarde geworpen, en zijn engelen werden met hem geworpen.

Dankzegging in de hemel

10 En ik hoorde een luide stem in de hemel, zeggend:

‘Nu is gekomen de redding en de kracht en het koninkrijk van onze God en de macht van zijn Gezalfde, want de aanklager van onze broeders, die hen dag en nacht voor onze God aanklaagde, werd neergeworpen. 11 En zij zelf overwonnen hem door het bloed van het Lam en door het woord van hun getuigenis en zij hebben hun leven niet liefgehad tot de dood. 12 Daarom, verheugt u, hemelen en wie daarin wonen. Wee de aarde en de zee, want de duivel is tot u afgedaald, in grote woede, wetend dat hij weinig tijd heeft.’

De draak achtervolgt de vrouw op aarde

13 En toen de draak zag dat hij naar de aarde was geworpen, achtervolgde hij de vrouw, die het mannelijke kind baarde. 14 En aan de vrouw werden de twee vleugels van de grote arend gegeven, opdat zij zou vliegen naar de woestijn, naar haar plaats, daar waar ze een tijd, tijden en een halve tijd wordt gevoed, buiten het gezicht van de slang. 15 En de slang wierp uit haar bek achter de vrouw water als een rivier, opdat hij haar door de stroom zou laten meesleuren. 16 Maar de aarde kwam de vrouw te hulp en de aarde opende haar mond en zij verslond de rivier die de draak uit zijn bek had geworpen. 17 En de draak werd woedend op de vrouw en ging heen om oorlog te voeren met de overigen van haar nageslacht die de geboden van God in acht nemen en het getuigenis van Jezus hebben.

Het beest uit de zee krijgt de aanbidding en overwint de heiligen

18 En hij stond op het zand van de zee. 13:1 En ik zag uit de zee een beest opkomen, met tien horens en zeven koppen en op zijn horens tien diademen en op zijn koppen namen van godslastering. 2 En het beest dat ik zag was als een panter en zijn poten als een beer en zijn bek als de bek van een leeuw. En de draak gaf hem zijn kracht en zijn troon en grote macht. 3 en één van zijn koppen was als geslacht ten dode, en zijn dodelijke plaag genas. En de hele aarde verbaasde zich, het beest achterna. 4 En zij aanbaden de draak, die de volmacht aan het beest gaf, en zij aanbaden het beest, zeggend:

‘Wie is als het beest, en wie kan met hem strijden?’

5 En hem werd een mond gegeven om grote woorden en godslasteringen te spreken en hem werd macht gegeven om dit 42 maanden te doen. 6 En hij opende zijn mond tot lasteringen tegen God om zijn naam te lasteren en zijn woning, zij die in de hemel wonen. 7 En hem werd gegeven oorlog te voeren met de heiligen en hen te overwinnen, en hem werd macht gegeven over elke stam en volk en taal en natie.

Aansporing voor de heiligen

8 En allen die op de aarde wonen zullen hem aanbidden, van wie de naam niet is geschreven vanaf de grondlegging van de wereld in het levensboek van het Lam dat geslacht is.

9 Als iemand oren heeft, laat hij horen. 10 Als iemand bestemd is voor krijgsgevangenschap, laat hij in krijgsgevangenschap gaan. Als iemand door het zwaard gedood moet worden, laat hij door het zwaard worden gedood. Hier blijkt de volharding en het geloof van de heiligen.

Tweede beest brengt tot aanbidding van het eerste en diens beeld; merkteken bij kopen en verkopen

11 En ik zag een ander beest, opkomend uit de aarde en het had twee horens, lijkend op die van een lam, maar het sprak als een draak. 12 En alle macht van het eerste beest oefent hij voor diens aangezicht[39] uit, en het maakt dat de aarde en degenen die daarop wonen het eerste beest, wiens dodelijke wond genezen werd, zullen aanbidden. 13 En het doet grote tekenen, zodat het ook vuur uit de hemel naar de aarde doet neerdalen voor de ogen van de mensen, 14 en het verleidt hen die op de aarde wonen vanwege de tekenen die het gegeven werd te doen voor het aangezicht[40] van het beest door te zeggen tegen degenen die op de aarde wonen dat ze een beeld voor het beest moeten maken, dat de plaag van het zwaard had, maar tot leven kwam. 15 En het werd aan hem gegeven een geest aan het beeld van het beest te geven, opdat het beeld van het beest ook zou spreken en zou maken dat wie het beeld van het beest niet aanbidden, gedood worden. 16 En het maakt dat allen, de kleinen en de groten en de rijken en de armen en de vrijen en de slaven een merkteken gegeven wordt op hun rechterhand of op hun voorhoofd 17 en dat niemand kan kopen of verkopen als hij niet het merkteken van het beest of het getal van zijn naam heeft. 18 Hier is de wijsheid. Wie inzicht heeft, berekene het getal van het beest, want het is het getal van een mens, en zijn getal is 666.

Het Lam en de 144.000 vrijgekochten

14:1 En ik zag, en zie: het Lam, staande op de berg Sion en met Hem 144.000 met zijn naam en de naam van zijn Vader geschreven op hun voorhoofden. 2 En ik hoorde een geluid uit de hemel als een geluid van vele wateren en als het geluid van een grote donderslag en het geluid dat ik hoorde was als van zangers met de citer, spelend op hun citers. 3 En zij zingen een nieuw lied voor de troon en voor de levende wezens en de oudsten, en niemand kon het lied leren, behalve de 144.000, de vrijgekochten van de aarde. 4 Dezen zijn het die zich niet bezoedeld hebben met vrouwen, want zij zijn maagdelijk; dezen zijn het die het Lam volgen, waar het ook heengaat. Dezen werden gekocht uit de mensen, een eersteling voor God en het Lam, 5 En in hun mond wordt was geen leugen gevonden, zij zijn onbesproken.

Drie engelen in het zenit van de hemel met een waarschuwende boodschap

6 En ik zag een engel[41], vliegend in het zenit van de hemel, met een eeuwig evangelie om het te verkondigen aan hen die gezeten zijn op de aarde en aan iedere natie en stam en taal en volk, 7 zeggend met luide stem:

‘Vrees God en geef Hem eer, want het uur van zijn oordeel is gekomen, en aanbid Hem die de hemel en de aarde en zee en waterbronnen heeft gemaakt.’

8 En een andere engel, een tweede, volgde, zeggend:

‘Zij is gevallen, zij is gevallen, het grote Babylon, dat uit de toornwijn van haar hoererij alle naties heeft doen drinken.’

9 En een andere engel, een derde, volgde hen, zeggend met luide stem:

‘Als iemand het beest en zijn beeld aanbidt en een merkteken op zijn voorhoofd of op zijn hand aanneemt, 10 zal deze ook drinken uit de toornwijn van God die onvermengd is gemengd in de beker van zijn gramschap en hij zal gepijnigd worden in vuur en zwavel voor de heilige engelen en voor het Lam. 11 En de rook van hun pijniging stijgt op tot in de eeuwen der eeuwen. En zij hebben geen rust dag en nacht die het beest en zijn beeld aanbidden en als iemand aanneemt het merkteken van zijn naam.’ 12 Hier blijkt de volharding van de heiligen die de geboden van God en het geloof in Jezus in acht nemen.            

Een bemoediging voor de gelovigen vanwege wat gaat komen

13 En ik hoorde een stem uit de hemel, zeggend

‘Schrijf. Zalig de doden die in de Heer sterven vanaf nu.’

‘Ja’,

zegt de Geest,

‘dat zij rusten van hun moeiten, want hun werken volgen hen.’

Komst Mensenzoon; aarde en wijnstok van de aarde worden geoogst

14 En ik zag, en zie, een witte wolk, en de op de wolk Gezetene leek op een mensenzoon, met een gouden kroon op zijn hoofd en in zijn hand een scherpe sikkel. 15 En een andere engel ging uit de tempel, schreeuwend met luide stem tot Hem die op de wolk gezeten was:

‘Zend uw sikkel en oogst, want het uur om te oogsten is gekomen, want de oogst van de aarde is rijp.’

16 En de op de wolk Gezetene wierp zijn sikkel naar de aarde en de aarde werd geoogst. 17 En een andere engel ging uit de tempel die in de hemel is, met ook zelf een scherpe sikkel. 18 En een andere engel kwam uit het altaar, met volmacht over het vuur, en hij riep met luide stem tot hem die de scherpe sikkel had, zeggend:

‘Zend uw scherpe sikkel uit en oogst de trossen van de wijnstok van de aarde, want haar druiven werden rijp.’

19 En de engel wierp zijn sikkel naar de aarde en oogstte de wijnstok van de aarde en wierp het in de persbak van de grote toorn van God. 20 En de persbak werd getreden buiten de stad en bloed kwam uit de persbak tot aan de teugels van de paarden, 1600 stadiën.

De overwinnaars van het beest kondigen Gods rechtvaardig oordeel aan

15:1 En zag een ander teken in de hemel, groot en wonderbaar, zeven engelen met de zeven laatste plagen, want daarmee is de toorn van God voleindigd. 2 En ik zag als een glazen zee, vermengd met vuur, en de overwinnaars van het beest en van zijn beeld en van het getal van zijn naam, staande op de glazen zee met citers van God. 3 En zij zingen het lied van Mozes, de dienstknecht van God, en het lied van het Lam, zeggend:

‘Groot en wonderbaar uw werken, God, de Heer, de Almachtige; rechtvaardig en waarachtig uw wegen, Koning van de naties; 4 wie zou niet vrezen, Heer, en zal uw naam niet eren? Want U alleen bent heilig, want alle volken zullen komen en zullen aanbidden voor U, want uw rechtvaardige oordelen zijn openbaar geworden.’

Zeven engelen met zeven plagen maken zich gereed

5 En daarna zag ik, en de tempel van de tent van het getuigenis in de hemel ging open, 6 en de zeven engelen die de zeven plagen hebben, kwamen uit de tempel, gekleed in zuiver, stralend linnen en de borst omgord met een gouden gordel. 7 En één van de vier levende wezens gaf aan de zeven engelen zeven gouden schalen, vol van de toorn van God, die leeft tot in de eeuwen der eeuwen. 8 En de tempel werd gevuld met rook vanwege de heerlijkheid van God en vanwege zijn macht en niemand was in staat de tempel binnen te gaan, totdat de zeven plagen van de zeven engelen ten einde gebracht waren.

De eerste drie engelen gieten hun schaal uit naar (…)

16:1 En ik hoorde een luide stem uit de tempel, zeggend tot de zeven engelen:

‘Ga heen en giet de zeven schalen van de toorn van God uit naar de aarde.

2 En de eerste ging heen en goot zijn schaal uit naar de aarde, en er kwam een boos en kwaadaardig gezwel op de mensen die het merkteken van het beest hebben en zijn beeld aanbidden.

3 En de tweede goot zijn schaal uit naar de zee, en zij werd bloed als van een dode, en alle levende wezens die in de zee waren, stierven.

4 En de derde goot zijn schaal uit naar de rivieren en naar de bronnen van de wateren, en zij werden bloed.

Instemming met de eerste drie plagen

5 En ik hoorde de engel van de wateren zeggen:

‘Rechtvaardig bent U, die is en die was, de Heilige, want U velde dit vonnis, 6 want zij vergoten het bloed van heiligen en profeten en U hebt hen bloed te drinken gegeven, zij hebben het verdiend.’

7 En ik hoorde het altaar zeggen[42]:

‘Ja, Heer, God, de Almachtige, uw oordelen zijn waarachtig en rechtvaardig.’

De laatste vier engelen gieten hun schaal uit op (…); en waarschuwing en bemoediging voor de gelovigen

8 En de vierde goot zijn schaal uit op de zon, en haar werd gegeven de mensen te verzengen met vuur. 9 En de mensen werden verzengd door de grote hitte en zij lasterden de naam van God die de volmacht heeft over deze plagen, en zij bekeerden zich niet om Hem de eer te geven.

10 En de vijfde goot zijn schaal uit op de troon van het beest en zijn koninkrijk werd verduisterd, en zij kauwden op hun tongen van de pijn, 11 en zij lasterden de God van de hemel vanwege hun pijn en hun gezwellen, en zij bekeerden zich niet van hun werken.

12 En de zesde goot zijn schaal uit op de grote rivier, de Eufraat, en haar water droogde op, zodat de weg bereid werd voor de koningen die komen van waar de zon opgaat. 13 En ik zag uit de bek van de draak en uit de bek van het beest en uit de mond van de leugenprofeet drie onreine geesten als kikvorsen; 14 want zij zijn geesten van duivelen, die tekenen doen, die uitgaan naar de koningen van de hele bewoonde wereld om hen te verzamelen tot de oorlog op de grote dag van God, de Almachtige.

15 Zie, Ik kom als een dief. Zalig wie waakt en zijn kleren bewaart, opdat hij niet naakt wandele en men zijn schaamte zie.

16 En Hij bracht hen bijeen op de plaats die in het Hebreeuws genoemd wordt ‘Harmagedon’.

17 En de zevende goot zijn schaal uit op de lucht, en een luide stem ging uit de tempel, van de troon, zeggend: ‘Het is geschied’. 18 En er kwamen bliksemstralen en stemmen en donderslagen en er kwam een grote aardbeving zoals er geen geweest is vanaf het moment dat de mens op de aarde kwam, zo groot was de aardbeving. 19 En de grote stad viel in drie delen uiteen en de steden van de naties stortten in. En het grote Babylon werd voor God in herinnering gebracht om haar de beker van de toornwijn van zijn gramschap te geven. 20 En elk eiland vluchtte en bergen werden niet gevonden. 21 En zware hagel, als een talent zo zwaar, daalde neer uit de hemel op de mensen, en de mensen lasterden God vanwege de plaag van de hagel, want zijn plaag is zeer groot.

Een vrouw, het grote Babylon, zittend op een scharlakenrood beest

17:1 En één van de zeven engelen die de zeven schalen hebben, kwam en sprak met mij, zeggend: ‘Kom, ik zal u tonen het oordeel over de grote hoer, die zit aan vele wateren, 2 met wie de koningen van de aarde hebben gehoereerd en zij die op de aarde wonen zijn dronken geworden van de wijn van haar hoererij. 3 En hij voerde mij in de geest weg naar een woestijn.

En ik zag een vrouw, zittend op een scharlakenrood beest, vol namen van godslastering, met zeven koppen en tien horens. 4 En de vrouw was bekleed met purper en scharlaken en rijk versierd met goud en kostbaar edelgesteente en parels, met een gouden beker vol gruwelen in haar hand, en met de onzedelijkheden van haar hoererij, 5 en op haar hoofd een naam geschreven, een geheim, het grote Babylon, de moeder van de hoeren en van de gruwelen van de aarde. 6 En ik zag de vrouw, dronken van het bloed van de heiligen en van het bloed van de getuigen van Jezus. En ik verwonderde mij, toen ik haar zag, met grote verwondering.

Verwondering over de vrouw bij Johannes en over het beest bij hen die op aarde wonen

7 En de engel zei mij:

‘Waarom verwonderde u zich? Ik zal u het geheim zeggen van de vrouw en van het beest dat haar draagt en dat de zeven koppen en de tien horens heeft. 8 Het beest dat u zag, was en is niet en het zal opkomen uit de afgrond en het gaat naar de ondergang, en zij die op de aarde wonen, wier naam niet vanaf de grondlegging van de wereld geschreven staat in het levensboek, zullen zich verwonderen, wanneer zij het beest zien, dat was en niet is, maar aanwezig zal zijn.

Betekenis van de koppen en horens van het beest

9 Hier is het verstand, dat wijsheid heeft. De zeven koppen zijn zeven bergen, waarop de vrouw zit. En het zijn zeven koningen. 10 De eerste vijf zijn gevallen, de éne is er, de andere is nog niet gekomen, en wanneer hij komt, moet hij kort blijven. 11 En het beest dat was en niet is, is ook zelf het achtste en het is uit de zeven, en het gaat naar de ondergang. 12 En de tien horens die u zag, zijn tien koningen, die nog geen koningschap hebben ontvangen, maar zij ontvangen één uur volmacht als koningen, met het beest. Dezen zijn één van zin en geven hun macht en autoriteit aan het beest. 14 Dezen zullen met het Lam oorlog voeren en het Lam zal hen overwinnen, want Hij is Heer der heren en Koning der koningen, en zij die met Hem zijn, geroepenen en uitverkorenen en getrouwen.

Betekenis van de wateren en de vrouw daaraan gezeten

15 En hij zei tot mij:

‘De wateren die u zag, waaraan de hoer zit, zijn volken en menigten en naties en talen. 16 En de tien horens die u zag en het beest, dezen zullen de hoer haten en zij zullen haar tot een verlatene maken en naakt en zij zullen haar vlees eten en haar met vuur verbranden. 17 Want God gaf hen in het hart zijn zin te doen en één van zin te zijn en hun koningschap te geven aan het beest, tot de woorden van God voleindigd zullen zijn. 18 En de vrouw die u zag is de grote stad, die het koningschap heeft over de koningen van de aarde.’

Een engel kondigt het oordeel over het grote Babylon aan

18:1 Hierna zag ik een andere engel, neerdalend uit de hemel, met grote volmacht, en de aarde werd verlicht vanwege zijn lichtglans. 2 En hij schreeuwde met krachtige stem, zeggend:

‘Zij is gevallen, zij is gevallen, het grote Babylon, en zij is geworden een woonplaats van duivelen en een schuilplaats voor elke onreine geest en een schuilplaats voor elke onreine vogel en een schuilplaats voor elk onrein en gehaat dier, want van de wijn van de hartstocht van haar hoererij hebben alle naties gedronken en de koningen van de aarde hebben met haar gehoereerd en de kooplieden van de aarde zijn rijk geworden uit het vermogen van haar weelde.’

Een andere stem moedigt aan dit oordeel ook uit te voeren

4 En ik hoorde een andere stem uit de hemel, zeggend:

‘Ga, mijn volk, uit haar (eks autès) weg, opdat u geen deel hebt aan haar zonden, en weg van haar plagen opdat u die niet ontvangt, 5 want haar zonden hebben zich opgestapeld tot aan de hemel en God heeft zich haar misdaden tegen Hem in herinnering gebracht.

6 Vergeld haar zoals ook zijzelf vergolden heeft en vergeld haar dubbel naar haar werken, meng haar dubbel in de beker die zij mengde; zoveel als men haar eerde en zij weelderig leefde, geef haar zoveel pijniging en rouw. Want in haar hart zegt ze:

   “Ik zetel als koningin en ik ben geen weduwe en ik zal zeker geen rouw zien.”

8 Daarom zullen haar plagen in één uur komen, dood en rouw en honger, en met vuur zal zij verbrand worden, want sterk is God, de Heer, die haar oordeelt. 9 En de koningen van de aarde, die met haar hebben gehoereerd en in weelde geleefd, zullen over haar wenen en jammeren, wanneer zij de rook van haar verbranding zien, 10 van verre staand uit vrees voor haar pijniging, zeggend:

   “Wee, wee, de grote stad, Babylon, de sterke stad, want in één uur is het oordeel over u gekomen.”

11 En de kooplieden van de aarde wenen en rouwen over haar, want niemand koopt meer hun lading, een lading van goud en zilver en edelsteen en parels en fijn linnen en purper en zijde en scharlaken, en allerlei welriekend hout en allerlei ivoren voorwerpen en allerlei voorwerpen van het kostbaarste hout en van koper en ijzer en marmer, 13 en kaneel en specerij en reukwerk en mirre en wierook en wijn en olijfolie en fijn tarwemeel en koren en vee en schapen, en de lading van paarden en wagens en van slaven[43] en van mensenzielen. 14 En de vruchten die u zo begeerde, gingen van u weg, en al het kostbare en schitterende ging voor u verloren en deze dingen zullen zeker niet meer gevonden worden. 15 De kooplieden van deze dingen, die rijk geworden zijn van haar, zullen van verre staan uit vrees voor haar pijniging, wenend en rouwend, 16 zeggend:

   “Wee, wee, de grote stad, die gehuld was in fijn linnen, purper en scharlaken, en rijk versierd was met goud en edelsteen en parel, 17 want in één uur werd al deze rijkdom verwoest.” En iedere stuurman en iedere kustvaarder en zeelieden en wie op zee zijn werk deed, stonden van verre, 18 en zij schreeuwden het uit, toen zij de rook van haar verbranding zagen, zeggend:

   “Wie was gelijk aan de grote stad?”

19 En zij wierpen stof op hun hoofden en schreeuwden, wenend en rouwend, zeggend:

“Wee, wee, de grote stad, door wie allen, die schepen op zee hebben, rijk werden vanwege haar rijkdom,  want in één uur werd zij verwoest.”

20 Verheug u over haar, hemel, en heiligen en apostelen en profeten, want God heeft uw rechtszaak tegen haar[44] beslecht.’

Afsluiting van deze andere stem;  een sterke engel voltrekt het oordeel al symbolisch

21 En een krachtige engel nam een steen als een grote molensteen en wierp hem in de zee, zeggend:

‘Zo zal Babylon, de grote stad, met geweld geworpen worden en zij zal zeker niet meer gevonden worden. 22 En het geluid van zangers met de citer en musici en fluitspelers en trompetters zal zeker niet meer in u gehoord worden, en geen enkele vakman op allerlei gebied zal in u meer gevonden worden, en het geluid van de molensteen zal zeker niet meer in u gevonden worden, 23 en het licht van de olielamp zal zeker niet meer in u schijnen, en de stem van de bruidegom en bruid zal zeker niet meer in u gehoord worden, want uw kooplieden waren de groten van de aarde, want door uw toverij werden alle naties verleid,’

24 en in haar werd bloed van profeten en heiligen gevonden en van allen wier bloed vergoten is op de aarde.

Acclamatie van een talrijke menigte, de 24 oudsten en de 4 levende wezens met Gods oordeel over het grote Babylon

19:1 Hierna hoorde ik als een luide stem van een talrijke menigte in de hemel, zeggend:

‘Halleluja, de redding en de heerlijkheid en de macht zijn van onze God, 2 want zijn oordelen zijn waarachtig en rechtvaardig, want Hij heeft de grote hoer geoordeeld, die de aarde door haar hoererij tot kwaad verleidde en Hij heeft het bloed van zijn dienstknechten van haar hand geëist;’ – 3 En zij zeiden ten tweede male: ‘Halleluja.’ – ‘en haar rook stijgt op tot in de eeuwen der eeuwen.’

4 En de 24 oudsten en de 4 levende wezens vielen neer en aanbaden God die gezeten is op de troon, zeggend: ‘Amen, halleluja.’

Het loon komt voor al Gods knechten en voor wie Hem vrezen 

5 En een stem ging uit van de troon, zeggend:

‘Loof onze God, al zijn dienstknechten en wie Hem vrezen, de kleinen en de groten (zie 11:18a).’

Deze menigte verheugt zich over de bruiloft van de vrouw van het Lam

6 En ik hoorde als het geluid van een talrijke menigte en als het geluid van vele wateren en als het geluid

 van krachtige donderslagen, zeggend:

‘Halleluja, want God, de Heer, de Almachtige, is koning geworden. 7 Laten wij ons verheugen en jubelen en Hem de eer geven, want de bruiloft van het Lam is gekomen en zijn vrouw heeft zichzelf toebereid.’

8 En haar werd gegeven zich te bekleden met stralend, zuiver, fijn linnen; want dit fijne linnen betekent: de rechtvaardige daden van de heiligen.

Afsluitende woorden van de engel met één van de zeven schalen

9 En hij zei tot mij:

‘Schrijf. Zalig de genodigden tot het bruiloftsmaal van het Lam.’

En hij zei tot mij:

‘Deze woorden zijn de waarachtige woorden van God.’

10 En ik viel voor zijn voeten neer om hem te aanbidden.

Maar hij zei tot mij:

‘Kijk uit! Doe dat niet![45] ik ben een mededienstknecht, evenals u en uw broeders die het getuigenis aangaande Jezus hebben; aanbid God.’ Want het getuigenis aangaande Jezus is de geest van de profetie.[46]

Negen visioenen die alle beginnen met en ik zag

De hemel geopend, het Lam en zijn hemelse legers komen te voorschijn

I 11 En ik zag de hemel geopend, en zie een wit paard en Hij die erop gezeten was, wordt genoemd Trouw en Waarachtig, en Hij oordeelt in gerechtigheid en voert oorlog. 12 Zijn ogen als een vuurvlam, en op zijn hoofd draagt Hij vele diademen, met daarop een naam geschreven die niemand weet, behalve Hijzelf. 13 En Hij is bekleed met een gewaad, dat in bloed gedoopt is, en zijn naam is[47]: het Woord van God. 14 En de legers die in de hemel zijn, volgden Hem op witte paarden; zij waren gekleed in zuiver, wit linnen. 15 En uit zijn mond komt een scherp zwaard, om daarmee de naties te slaan, en Hij zal hen weiden met een ijzeren scepter en Hijzelf zal de persbak treden van de toornwijn van de gramschap van God, de Almachtige. 16 En Hij heeft op zijn gewaad, op zijn heup een naam geschreven: ‘Koning der koningen en Heer der heren.’

Uitnodiging engel aan alle vogels          

II 17 En ik zag een engel, staande op de zon, en hij schreeuwde met luide stem, zeggend tot alle vogels, vliegend in het zenit van de hemel:

‘Kom, verzamel u tot de grote maaltijd van God, opdat u eet lichamen van koningen en lichamen van oversten over duizend en lichamen van machtigen en kadavers van paarden en lichamen van hen die daar op gezeten waren en lichamen van alle vrijen en slaven en van kleinen en groten.’

Het Lam grijpt het beest en de valse profeet

III 19 En ik zag het beest en de koningen van de aarde en hun legers verzameld om oorlog te voeren met Hem die gezeten is op het paard en met zijn leger. 20 En het beest werd gegrepen en met hem de leugenprofeet die de tekenen voor hem deed, waardoor zij werden verleid die het merkteken van het beest ontvingen en die zijn beeld aanbaden; levend werden beide in de vuurpoel, die door zwavel brandt, geworpen. 21 En de overigen werden gedood door het zwaard van Hem die op het paard gezeten was, dat van zijn mond uitging, en alle vogels werden verzadigd van hun lichamen.

Draak duizend jaar gebonden

IV 20:1 En ik zag een engel, neerdalend uit de hemel, met de sleutel van de afgrond en een grote ketting in zijn hand.  2 En hij greep de draak, de oude slang, die is duivel en de satan, en bond hem duizend jaar 3 en hij wierp hem in de afgrond en sloot en verzegelde boven hem, opdat hij de naties niet meer zou verleiden, totdat de duizend jaar voleindigd waren. Daarna moet hij een korte tijd worden losgelaten.

Duizendjarige regering van de Christus met de zijnen

V 4 En ik zag tronen en zij zetten zich er op en rechterlijke bevoegdheid werd hen gegeven en ik zag[48] de zielen van hen die onthoofd waren omwille van het getuigenis aangaande Jezus en het woord van God en al wie het beest niet hadden aanbeden, noch zijn beeld en zij hadden het merkteken niet op hun voorhoofd en op hun hand hadden ontvangen. En zij werden levend en heersten als koningen met de Christus duizend jaar. 5 De overige doden werden niet levend, totdat de duizend jaar voltooid zijn.

Uitroep (door engel?)

Dit is de eerste opstanding. 6 Zalig en heilig wie deelheeft aan de eerste opstanding; over dezen heeft de tweede dood geen macht, maar zij zullen priesters van God en de Christus zijn en zij zullen met Hem als koning heersen, de duizend jaar.

Ontbinden van de satan, maar ook zijn uiteindelijke straf

7 En wanneer de duizend voleindigd zijn, zal de satan uit zijn gevangenis losgelaten worden 8 en hij zal uitgaan om de naties die aan de vier hoeken van de aarde zijn, te verleiden, Gog en Magog, om hen tot de oorlog te verzamelen, van wie het aantal is als het zand van de zee. 9 En zij kwamen op over de breedte van de aarde en zij omsingelden het legerkamp van de heiligen en de geliefde stad, en vuur daalde neer uit de hemel en verslond hen. 10 En de duivel die hen verleidde werd geworpen in de poel van vuur en zwavel waar ook het beest en de leugenprofeet zijn, en zij zullen dag en nacht gepijnigd worden tot de eeuwen der eeuwen.

De grote, witte troon

VI 11 En ik zag een grote, witte troon en Hem die erop gezeten was, voor wiens aangezicht de aarde vluchtte en de hemel en er werd geen plaats voor hen gevonden.

De doden voor de troon

VII 12 En ik zag de doden, de groten en de kleinen, staande voor de troon. En boeken werden geopend, en een ander boek werd geopend, dat is van het leven, en de doden werden geoordeeld volgens wat geschreven was in de boeken, naar hun werken. 13 En de zee gaf de doden die in haar waren en de dood en het dodenrijk gaven de doden die in hen waren, en zij werden geoordeeld, ieder naar zijn werken. 14 En de dood en het dodenrijk werden geworpen in de poel van vuur. Dit is de tweede dood, de poel van vuur. 15 En als iemand niet geschreven werd bevonden in het levensboek, werd hij geworpen in de poel van vuur.

Een nieuwe hemel en aarde

VIII 21:1 En ik zag een nieuwe hemel en nieuwe aarde. Want de eerste hemel en de eerste aarde waren voorbijgegaan en de zee was niet meer.

Het nieuwe Jeruzalem daalt neer, als een bruid, opgemaakt voor haar man; God spreekt

IX 2 En ik zag[49] de heilige stad, een nieuw Jeruzalem, neerdalend uit de hemel, van God, toebereid als een bruid, die opgemaakt is voor haar man. 3 En ik hoorde een luide stem uit de troon, zeggend:

‘Zie, Gods woning is bij de mensen, en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen zijn volken zijn, en God zelf zal bij hen zijn, en Hij zal elke traan uit hun ogen wissen, en de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch weeklacht, noch moeite zal er meer zijn, want[50] de eerste dingen zijn voorbijgegaan.

5 En de op de troon Gezetene zei:

‘Zie, Ik maak alle dingen nieuw.’

En Hij zei:

‘Schrijf, want deze woorden zijn betrouwbaar en waar.’

6 En Hij zei tot mij:

‘Ik ben de Alfa en de Omega, de Oorsprong en het Einddoel. Ik zal de dorstige geven uit de bron van levend water, als een geschenk. 7 Wie overwint zal deze dingen beërven en Ik zal voor hem een God zijn en hij zal voor Mij een zoon zijn. 8 Maar wat betreft de laffen en ongelovigen en hen die afschuwelijke dingen doen en moordenaars en ontuchtplegers, tovenaars en afgodendienaars en alle leugenachtigen, hun deel is in de poel, die brandt door vuur en zwavel, die de tweede dood is.’

Eén van de engelen met de schalen nodigt Johannes te komen om hem de bruid te tonen

9 En een van de zeven engelen met de laatste zeven schalen, die vol zijn met de laatste zeven plagen, kwam en hij sprak met mij, zeggend:

‘Kom, ik zal u tonen de bruid, de vrouw van het Lam.’

De engel toont Johannes de heilige stad

10 En hij voerde mij weg in de geest naar een grote en hoge berg en hij toonde mij de heilige stad, Jeruzalem, neerdalend uit de hemel van God, 11 met de heerlijkheid van God. Haar lichtglans was als de kostbaarste steen, als de diamant, schijnend als kristal.

Beschrijving van haar muur en poorten

12 Zij had een muur, groot en hoog, met twaalf poorten en op de poorten twaalf engelen en namen er op geschreven, die de namen van de twaalf stammen van de zonen van Israël zijn, naar het oosten drie poorten[51], en naar het noorden drie poorten, en naar het zuiden drie poorten, en naar het westen drie poorten. 14 En de muur van de stad had twaalf fundamenten en daar op twaalf namen van de twaalf apostelen van het Lam.

De engel meet de stad op

15 En hij die met mij sprak, had een gouden meetriet, opdat hij de stad zou meten en haar poorten en haar muur. 16 En de stad ligt in het vierkant en haar lengte is als de breedte. En hij mat de stad met het riet op 12.000 stadiën, haar lengte en haar breedte en haar hoogte zijn gelijk. 17 En hij mat haar muur, 144 el, een maat van een mens die is van een engel.

De bouwstoffen van de stad

18 En de bouwstof van haar muur was diamant en de stad was zuiver goud, lijkend op zuiver glas. 19 De fundamenten van de muur van de stad waren met allerlei kostbaar edelgesteente versierd; het eerste fundament was diamant, het tweede saffier, het derde chalcedon, het vierde smaragd, 20 het vijfde sardonyx, het zesde sardius, het zevende chrysoliet, het achtste beryl, het negende topaas, het tiende chrysopraas, het elfde hyacint, het twaalfde amethist, 21 en de twaalf poorten waren twaalf parels, ieder van de poorten afzonderlijk was uit één parel. En de brede boulevard van de stad was zuiver goud als doorschijnend glas.

God en het Lam zijn zelf de tempel

22 En een tempel zag ik in haar niet, want de God, de Heer, de Almachtige, is haar tempel en het Lam. 23 En de stad heeft noch de zon, noch de maan nodig, dat die haar zouden beschijnen, want de heerlijkheid van God verlichtte haar, en haar lamp was het Lam.

De naties geven geschenken

24 En de naties zullen wandelen in haar licht, 24 en de koningen van de aarde zullen hun heerlijkheid naar haar toe brengen, 25 en haar poorten worden overdag zeker niet gesloten, want daar zal geen nacht zijn, 26 en zij zullen de glorie en de eer van de naties naar haar toe brengen. 27 En iets onreins zal zeker niet bij haar binnenkomen, noch wie gruwel en leugen doet, alleen zij die geschreven staan in het levensboek van het Lam.

De naties ontvangen genezing

22:1 En hij toonde mij een rivier van levend water, schitterend als kristal, stromend uit de troon van God en van het Lam. 2 In het midden van haar brede boulevard en aan deze en gene zijde van de rivier, geboomte van leven[52], twaalf maal vruchten dragend, elke maand zijn vrucht gevend, en de bladeren van het geboomte zijn tot genezing van de naties.

Gods knechten geven God de eer

En iets vervloekts zal er niet meer zijn. En de troon van God en van het Lam zal in haar zijn, en zijn dienstknechten zullen Hem vereren, 4 en zij zullen zijn aangezicht zien, en zijn naam zal op hun voorhoofden zijn.[53]

Gods knechten ontvangen het koningschap

5 En nacht zal er niet meer zijn en zij hebben geen licht van een lamp en licht van een zon nodig, want God, de Heer, zal over hen schijnen, en zij zullen als koning heersen tot de eeuwen der eeuwen.

Jezus over de betrouwbaarheid van deze woorden

6 En Hij zei mij:

‘Deze woorden zijn betrouwbaar en waar, en de Heer, de God van de geesten van de profeten, heeft zijn engel gezonden om zijn dienstknechten te tonen wat moet gebeuren met spoed. 7 En zie, Ik kom spoedig[54]. Zalig wie[55] de woorden van de profetie van dit boek in acht neemt.’

Johannes moet niet de engel, maar God aanbidden

8 En ik, Johannes, ben het die deze dingen hoorde en zag. En toen ik had gehoord en had gezien, viel ik neer voor de voeten van de engel die mij deze dingen toonde. 9 Maar hij zei tot mij:

‘Kijk uit! Doe dit niet![56] Ik ben een mededienstknecht evenals u en uw broeders, de profeten, en hen die de woorden van dit boek in acht nemen; aanbid God.’

Jezus over loon en straf en waarin Hij zegt wie Hij is

10 En Hij zei mij:

‘Houd de woorden van de profetie van dit boek niet geheim, want de tijd is nabij. Wie onrecht doet, laat hij nog meer onrecht doen; en wie vuil is, laat hij nog vuiler worden; en laat de rechtvaardige nog meer gerechtigheid doen; en de heilige zich nog meer heiligen. 12 Zie, Ik kom spoedig, en mijn loon[57] is bij mij om aan elk te vergelden, zoals zijn werk is. 13 Ik ben de Alfa en de Omega, de Eerste en de Laatste, de Oorsprong en het Einddoel. 14 Zalig zij die hun gewaden wassen, opdat zij de bevoegdheid zullen hebben te beschikken over het leven gevende geboomte en om door de poorten in te gaan in de stad. 15 Buiten zijn de honden en de tovenaars en de ontuchtplegers en de moordenaars en de afgodendienaars en ieder die leugen liefheeft en doet.’

16 ‘Ik, Jezus, heb mijn engel gezonden om u deze dingen te betuigen voor de kerken. Ik ben de wortel en afstammeling van David, de vroege, stralende ster.’

De Geest van God en de bruid, de heilige stad

17 En de Geest en de bruid zeggen:

‘Kom.’

Johannes

En laat wie het hoort, zeggen:

‘Kom.’

Jezus

‘En wie dorst heeft, laat hij komen, en wie wil, laat hij het levende water nemen, als een geschenk.’

18 Ik betuig aan ieder die de woorden van de profetie van dit boek hoort: als iemand hieraan toevoegt, God zal hem toevoegen de plagen die in dit boek beschreven zijn, 19 en als iemand afneemt van de woorden van het boek van deze profetie, God zal zijn deel van het geboomte dat leven geeft, afnemen en van de heilige stad, van de dingen die in dit boek beschreven zijn.

20 Hij die deze dingen betuigt, zegt: ‘Ja, Ik kom spoedig.’

Wie het hoort

Amen, kom Heer Jezus.

Zegengroet aan het slot van de brief

21 De genade van de Heer Jezus met allen.  


[1] Ps. 2:2 LXX en tachei. Vergelijk Lucas 18:7-8 NBG ’51 Zal God dan zijn uitverkorenen geen recht verschaffen, die dag en nacht tot Hem roepen, en laat Hij hen wachten? Ik zeg u, dat Hij hun spoedig (en tachei) recht zal verschaffen.

Baruch 4:24 Want zoals de buren van Sion nu de ballingschap hebben gezien, zo zullen zij spoedig (en tachei) de redding zien die bij uw God is, die op u zal komen met grote heerlijkheid en pracht van de Eeuwige.  

[2] sèmainoo vinden we ook in Dan. 2:23,30, 45 waar het gaat om de droom die koning Nebukadnezar heeft gehad. In 2:23 en 30 staat dat God deze droom aan Daniël heeft bekend gemaakt. In 2:45 lezen we dat God (door middel van Daniëls uitleg) aan Nebukadnezar heeft bekend gemaakt ‘wat hierna moet geschieden’. Nu is het Jezus die aan Johannes bekend maakt ‘wat hierna moet geschieden. Ook in het evangelie van Johannes komen we sèmainoo enkele malen tegen (12:33; 18:32; 21:19).

[3] Lett. Zalig de voorlezende.

[4] Lett. de horenden.

[5] Het meest voor de hand liggend lijkt dat 1:3 terugwijst naar het begin van 1:1 en hierin zo naar Openbaring.

[6] Lett. de Eerstgeborene (proototokos) van de doden.

[7] ‘De Eerste (archoon) van de koningen van de aarde’, een aanhaling uit Ps. 89:28: Ja, Ik zal hem tot een eerstgeborene stellen, tot de hoogste van de koningen der aarde (NBG ’51). Ps. 88:28 LXX heeft: En Ik zal hem stellen tot een eerstgeborene, de hoogste (hupsèlos) bij de koningen van de aarde. Johannes heeft dus hupsèlos vervangen door archoon; bedoeld zal zijn: niet meer de voornaamste van de koningen, maar het hoofd over hen allen. Johannes heeft hupsèlos vervangen door archoon. Archoon vinden we bijvoorbeeld in de profetie van aartsvader Jacob op zijn sterfbed als hij zegt tot zijn zoon Juda: ‘Een heerser (archoon) zal uit Juda niet ontbreken (…) (Genesis 49:10 LXX).’

[8] ‘en alle stammen (fulè) van het land (gè) zullen over Hem rouwen (kopsontai ep’ auton)’

LXX Zach. 12:10 (…): en zij zullen over Hem rouwen (kopsontai ep’ auton) met een rouw als over een geliefde en gepijnigd worden met een pijn als over een eerstgeborene. 

LXX Zacharia 12:12 En het land (gè) zal rouwen, stam (fulè) voor stam (…).

[9] De Griekse tekst heeft: Ik ben de Alfa en de O. De eerste letter wel voluit, de laatste letter alleen als letterteken: τὸ ὦ.

[10] Vgl. 22:8 En ik, Johannes, ben het die deze dingen hoorde en zag (evenals in 1:11 werkw. blepoo).

[11] Murre geeft als mogelijke betekenis voor chalkolibanon blinkend of witgloeiend koper (het Hebr. lavan = wit)

[12] Hetzelfde Griekse woord opsis vinden we in Johannes 11:44. Hier gaat het om het gelaat van de uit de dood opgewekte Lazarus. Nu het gelaat van de uit de dood opgewekte Jezus zelf. In Ez. 1:27 gaat het om de uiterlijke verschijning van de Heer te midden van de vier wezens. Deze tekst zal hier met name op de achtergrond staan. In 1:14 lezen van zijn aangezicht. Het is dan aannemelijk dat hier sprake is van de gestalte van de opgestane Heer.

[13] Vgl. Luc. 9:52.

[14] Lett. staat er: thanatos, dood. In Op. 6:8 betekent thanatos, de pest.

[15] Lett. werp (balloo) Ik op u, zoals Hij Izebel op het ziekbed werpt (balloo) en haar navolgers in grote verdrukking.

[16] Lett. het woord van volharding van mij (of mijn). Mij(n) slaat hier niet op volharding, maar op woord. Vgl. Op. 4:11, waar lett. staat: ‘de Heer en de God onze’, weer te geven als onze Heer en God. 

[17] Lett. staat er: bewaren uit (tèreoo ek). Tèreoo ek komen we ook tegen in Johannes 17:15 Ik bid niet, dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart (tèreoo) voor (ek) de boze (NBG ‘51).

[18] Gè moet hier aarde betekenen en niet land, want de verzoeking komt niet alleen over het land Israël, maar over de hele aarde, ook over Filadelfia (in het tegenwoordige West-Turkije).

[19] De namen Getrouwe (pistos) en Waarachtige (alèthinos) zijn een goede weergave van de betekenis van het Hebreeuwse Amen.

[20] archè, vgl. Joh. 1:1-3a ‘In het begin (archè) was het Woord, en het Woord was bij God, en God was het Woord. 2 Deze was in het begin (archè) bij God. 3 Alle dingen geschiedden door Hem (…).’ Met andere woorden, via Jezus en samen met Hem heeft God alles gemaakt.

[21] Hetzelfde Griekse woord in Romeinen 7:24.

[22] ook in 1 Korintiërs 15:19.

[23] paideuoo, opvoeden, disciplineren.

[24] Vgl. Ez. 37:1 LXX; 1:10; 4:1; 17:3 en 21:10.

[25] Ook in het verschijning van God aan de profeet Ezechiël komen toortsen voor (1:13).

[26] Lett. in het midden van de troon. Dit wordt in 5:6 ook van het Lam gezegd. De bedoeling is wellicht: midden voor de troon. De vier levende wezens vormen niet een cirkel die ook gedeeltelijk achter de troon is, of een cirkel ook boven en onder de troon, maar ze zijn alle vier voor de troon. De beschrijving van de opstelling van de vier levende wezens in Op. 4 herinnert zowel aan de beschrijving van hun plaats in Ez. 1:5 (daar vinden we ook en (tooi) mesooi, in het midden) als aan de beschrijving van de vier serafs in Jes. 6:2, dat kuklooi (rondom) heeft evenals Op. 4:6.

[27] Grieks Ridza, wortel: Grondvester van een geslacht (Murre). Maar hier zal het evenals in Sirach 47:22 afstammeling betekenen.

[28] ieder = de 24 oudsten. Ieder is in het Grieks mannelijk; de 4 levende wezens hebben in het Grieks de onzijdige vorm.

[29] Zo lett. vertaald. De bedoeling is: voor altijd ((BDAG).

[30] Lett. onder het altaar. 6:8 heeft epanoo (bovenop), 6:9 als tegenstelling hupokatoo (onder).

[31] Mudde wijst bij dit vs. ook op vs. 16.

[32] salpingx, trompet, bazuin. Gezien het feit dat direct hierna van altaar wordt gesproken, en alles is in de beelden van de Joodse tempel, mijns inziens hier: bazuin.

[33] Lett. kan ook vertaald worden: op (epi, gevolgd door 2e naamv.) het altaar. In 10:2, 8 wordt gesproken van een engel die op de zee en op de aarde staat (hier ook epi + 2e naamv.). Ook het feit dat bij het openen van het vijfde zegel de getuigen onder (= aan de voet van) het altaar zijn, kan ervoor pleiten dat bij het zevende zegel de engel op het altaar staat. De engel gaat de gebeden gezonden van onder het altaar nu vervullen. De moeilijkheid is echter: wat is de functie van de engel op het altaar?

[34] pan chortos chlooros: in Gen. 1:30 LXX al het groene gewas, bestemd voor de dieren op aarde en vogels en kruipende dieren. (πάντα χόρτον χλωρὸν (Gen. 1:30 GLT)). In Gen. 2:5 LXX wordt gesproken van het chlooros van de akker en het chortos van de akker.  Mark. 6:39 chortos chlooros: groene gras

[35] Lett. een ziel hebbend. Dit vinden we terug in Gen. 1:30 LXX Alle dieren op de aarde, alle vogels van de hemel en alles wat op aarde kruipt, die een ziel hebben, (…). al het groene gewas en een ziel hebbend komt chiastisch terug in Op.

[36] Lett. geheim, mustèrion. Denk aan wat God aan Daniël openbaarde: de betekenis van de droom van koning Nebukadnezar was de komst van het koninkrijk van God.

[37] Vgl. Jes. 66:7.

[38] 1 Kon. 18:13: Obadja heeft in de tijd van Izebel en Achab 100 profeten verborgen en met brood en water verzorgd (LXX: trefoo).

[39] Lett. ‘voor hem’. Maar de bedoeling is niet ‘ten dienste van’ het beest, maar ‘ten overstaan van’ het beest. 

[40] Lett. ‘voor het beest’. Maar de bedoeling is niet ‘ten dienste van’ het beest, maar ‘ten overstaan van’ het beest. 

[41] Lett. staat er: ’een andere (allos) engel’. Mudde schrijft bij de algemene betekenis van ‘allos’: ‘Het gaat steeds om een nieuwe persoon, zaak of groep.’ Ik versta het hier als een nieuwe scene die Johannes ziet. In 14:8 lezen we: ‘een andere, een tweede engel, volgde’. Belangrijke tekstgetuigen hebben ‘allos’ niet.

[42] Akouoo (horen) + altaar (2e naamv.) + part. legoo (2e naamv.): Ik hoorde het altaar zeggen. Vgl. Mark. 14:58 (Mudde).

[43] Zo Mudde, hij wijst erop dat het zo ook bij de classici gebr. is.

[44] Eks autès; in Op. alleen in 18:4 en 20.

[45] BDAG ‘Look out! Don’t do that!’

[46] Met de ‘broeders die het getuigenis van Jezus hebben’, zullen profeten zijn bedoeld, gezien wat erop volgt: ‘Want het getuigenis van Jezus is de geest van de profetie.’ Dit blijkt inderdaad uit de parallelle tekst in 22:9, waar de engel spreekt over ‘uw broeders, de profeten’. ‘Want het getuigenis van Jezus is de geest van de profetie.’ behoort dan nog bij het spreken van de engel. Hij ligt toe dat de basis van het spreken van deze profeten ‘het getuigenis van Jezus’ is.

[47] Lett. en zijn naam is genoemd

[48] Het Grieks heeft hier geen ‘en ik zag’. Maar om misverstanden te voorkomen moet dit in het Nederlands wel worden ingevoegd.

[49] Hier staat ook ‘En ik zag’ in het Grieks. Alleen staan hier tussen ‘En’ en ‘ik zag’ de woorden ‘de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem’.

[50] ‘Want’ staat tussen vierkante haken.

[51] In Gen. 13:11 vinden apo anatoloon als vertaling van miqqèdèm. Betekenis: naar het oosten (Mudde).

[52] 2:7 To ksulon tès dzooès (lett. de boom of geboomte van het leven); 22:2 ksulon dzooès (lett. boom of geboomte van leven)).

[53] Vgl. hogepriester in O.T.

[54] met spoed (zelfs. naamw. tachos); spoedig (bijw. tachus). Het gaat hier om hetzelfde grondwoord tachus.

[55] Lett. Zalig de in acht nemende.

[56] BDAG ‘Look out! Don’t do that!’

[57] Zie 11:18.

Gezetene[1] was


Bij 4:3 Ds. Marco Visser vertaalt in Openbaring 5 ‘ho kathèmenos’ met ‘de Gezetene’. Dit is korter en letterlijker dan ‘Hij die gezeten is’. Petrus nieuwsbrief, 27-11-2021, Protestantse kerk, podcast Openbaring: kunnen we de code kraken?